ColumnAleid Truijens

Het dieptepunt van de meritocratie: laagopgeleid zijn is verdacht

null Beeld

Vmbo-leerlingen lopen vier tot vijf keer veel zo kans om als verdachte te worden geregistreerd dan vwo’ers die dezelfde misdrijven pleegden. Dat ontdekten onderzoekers Willemijn Bezemer en Arjen Leerkes van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Een onthutsende vaststelling. Wie met twee woorden spreekt, gewenste antwoorden geeft en er keurig uitziet komt makkelijker weg met criminele daden. Vooral als zij een meisje is, wit en afkomstig uit de provincie.

De factor opleiding weegt hier zwaarder dan etniciteit, al vallen die twee cynisch genoeg goeddeels samen. Jongeren met een migratieachtergrond hebben drie keer zo veel registraties als jongeren zonder; jongens hebben drie keer zo veel registraties als meisjes.

Daar is-ie dan weer: de laagopgeleide gekleurde jongen uit de grote stad, symbool van hardnekkige achterstand, fout gedrag en sociale problemen. Dit is wat onderwijs ruim vijftig jaar na de Mammoetwet heeft gebracht: ‘laagopgeleid’ zijn is verdacht.

Het begon zo goed, in 1968. Gelijke kansen voor iedereen, het onderwijs als ladder omhoog. Afkomst telde niet langer, het ging om capaciteiten en inzet. Ook het ‘arbeiderskind’ kon naar de universiteit en deed dat ook, althans de slimsten. De groeiende groep hoogopgeleiden ging alleen met elkaar om, kreeg samen kindertjes die vanzelfsprekend ook hoogopgeleid werden, desnoods met bijles.

De kloof, sociaal en financieel, werd breder. Wie niet minimaal havo-vwo aankon, stelde zijn ouders teleur, of voelde zich een loser. Nuttige beroepen als lasser, metselaar en thuiszorgmedewerker belandden onder aan de prestigeladder. Alleen al die uitdrukking, ‘van een dubbeltje een kwartje worden’, is veelzeggend. Kwartje worden is de norm, een dubbeltje blijven is kennelijk erbarmelijk.

Hadden de idealisten van ’68 The Rise of the Meritocracy 1870-2033 van Michael Young maar gelezen, een bijtende satire uit 1958 die de overgang toont van een standenmaatschappij naar een verdienstenmaatschappij. Het beeld van de verdachte vmbo’er zou er zomaar in passen. Het horrorsprookje eindigt in 2033 met een opstand van de boze nieuwe onderklasse – we hebben nog twaalf jaar.

De meritocratie is bij Young een wreder systeem dan de aristocratie. Wie in een lage stand werd geboren, kon daar niets aan doen; wie er nu in belandt, heeft dat aan zichzelf te wijten. Had je je kansen maar moeten grijpen. Dat maakt de nieuwe elite arroganter en zelfgenoegzamer dan de oude, die nog besefte te hebben geboft: ‘noblesse oblige’. De nieuwe heersende klasse denkt het succes te danken aan eigen intellectuele superioriteit en hard werken.

Onderwijs alleen kan deze ontwikkeling niet tegengaan; de hele samenleving is doordrenkt van meritocratische principes, ze lijken onontkoombaar als wind of regen. Opgetogen propaganda voor het mooie beroepsonderwijs helpt evenmin. Tegen zoveel vooroordelen over laagopgeleiden zijn goedbedoelde pleidooien voor ‘lekker met je handen werken’ en de onmisbaarheid van praktische beroepen niet opgewassen. Ook cosmetische ingrepen als het afschaffen van de naam vmbo of ‘laagopgeleid’ voortaan ‘praktisch opgeleid’ noemen zullen niks uithalen; ook bij Young moeten arbeiders ‘technische medewerkers’ heten.

Onderwijs kan wel de uitwassen van de diplomamaatschappij tegengaan in plaats van verergeren. Door onderwijs niet in te richten als een glijbaan met als afvoerputje de beroepsgerichte leerweg, maar als plaats waar je talent en voorkeuren ontdekt. Door kinderen niet op hun elfde te selecteren voor de nieuwe standenmaatschappij. Laat ze langer bij elkaar op school zitten, zodat de bevoorrechte kinderen het kroost van de mensen die door hun ouders worden ingehuurd eens van dichtbij meemaken. Betaal praktische beroepen en fysieke inspanning beter. Wantrouwen en minachting hebben nog nooit één mens goedgedaan.

Meer over