COLUMNArthur van Amerongen

Het boertje lachte mij onbedaarlijk uit, omdat ik een onderbroek over mijn hoofd had getrokken, tegen de zon

De geruchten over mijn dood zijn schromelijk overdreven. 

Helaas is deze kwinkslag niet van mij, maar van Mark Twain, de vader van de Amerikaanse roman. 

Stokoude lezers kennen hem natuurlijk van The Adventures of Huckleberry Finn, dat samen met To Kill a Mockingbird van Harper Lee op de zwarte lijst staat van sommige scholen in de Verenigde Staten, omdat leerlingen zich ongemakkelijk zouden kunnen gaan voelen door het gebruik van ‘offensive language’ in deze meesterwerken.

Twains The Innocents Abroad, or The New Pilgrims’ Progress geldt als de bijbel der reisjournalistiek, maar het zal mij niets verbazen als deze klassieker binnenkort op de brandstapel van de nieuwe Moral Minority eindigt. 

Over fik gesproken. Ik sloot de vorige column af met een heuse cliffhanger, die tot grote consternatie leidde bij mijn devote lezersschare: zou die dekselse schobbejak levend verbranden tijdens zijn gedwongen edoch heroïsche voettocht naar bedevaartsoord Fátima?

Ikzelf was vooral benieuwd naar de vertoning van de film van mijn leven (goed verhaal, lekker kort), een hallucinatie die schijnt op te treden wanneer je het ondermaanse verlaat. Maar hoe ontspannen kun je naar een B-film kijken terwijl je knettert als een ketter? 

Langzaam stervend tijdens wurgseks leek mij geiler. 

Piekerend over de perfecte manier om te gaan, dacht ik aan de jongerenroman die ik ooit als kerstgeschenk van de zondagsschool kreeg: Onderzeeboot O16 van K. Norel. 

Protagonist Joost vecht op de Javazee tegen de Jappen (zoals Norel ze respectloos noemt), tot zijn duikboot een voltreffer krijgt. Joost en een andere knaap – allebei toevallig protestants-christelijk – overleven de torpedoaanslag. Van lieverlee gaan ze maar zwemmen. 

Joosts wapenbroeder verdrinkt op bloedstollende maar ook jaloersmakende wijze: hij ziet een gouden poort wijdopen staan en zwemt psalmzingend helemaal heppiedepeppie de hemel binnen.

Dankzij een ietwat opportuun schietgebed werd ik uiteindelijk gered door een boertje op een tractor. Met mijn laatste krachten sprong ik voor hem, zwaaiend als een dolleman. Hij stopte net op tijd, want anders had hier gestaan: je wordt eerder door een strontkar overreden dan door een gouden koets.

Het kereltje lachte mij onbedaarlijk uit omdat ik een onderbroek over mijn hoofd had getrokken, tegen de zon. 

Deze wonderbaarlijke redding impliceerde dat ik Maria persoonlijk moest gaan bedanken. Een peuleschil, want in Fátima zit een toko die tegen betaling met gewijde paraffine wenskaarsen in de vorm van haperende organen en onvolmaakte lichaamsdelen draait. Ik ging een leverkaars offreren aan de Moeder Gods. Baat het niet, dan schaadt het niet.

Beeld Gabriël Kousbroek
Meer over