ColumnEva Hoeke

Het beeld van een voorlezende oma die nooit oma was geworden bleef de rest van de nacht bij me

Eva Hoeke. Beeld Robin de Puy
Eva Hoeke.Beeld Robin de Puy

In de week dat Anthony Bourdain en Inés Zorreguieta zichzelf van het leven beroofden stapte 18.698 kilometer hiervandaan een bejaard echtpaar aan boord van een toestel van Air New Zealand, om bijna 46 uur later hun intrek te nemen in een sober maar schoon hotel in een Hollands dorp waar ze nooit één voet in zouden hebben gezet, niet eens van gehoord zouden hebben, als ik, ooit de geliefde van hun overleden zoon, er niet was neergestreken. Ze mailden vanaf een kamer met zicht op het water: zullen we koffie drinken, alleen als ik tijd had, no pressure.

Toen ik binnenkwam zaten ze al klaar in de lobby, de brillen op tafel, tas met cadeaus aan de voet. Hij, de Hollandse migrant, bekend accent, kind uit een gezin van zestien, de handen groot, de krullen grijs. En zij, een kleine dame, beschaafde lach, gelakte nagels aan een hand die eindeloos thee zou schenken als er toch maar eens iemand thuis zou komen. We kusten, we knuffelden, door de vesten voelde ik botten. Binnen een uur namen we alles door: de reis, de vlucht, de verhuizing, de huizenmarkt, de Dochters, de dagen en de dingen, koetjes hier en kalfjes daar, en toen de serveerster kwam voor een nieuwe ronde maakte hij belegen grappen waar ik toch om lachte. De naam van de zoon viel niet één keer.

Langs het water reden we naar ons huis, de brug over, het Dorp in. Ooo’s en aaa’s bij ons huis, de voormalige schoolmeesterswoning, een beeld uit hun jeugd. Complimenten over het behang, fijn, zo’n eigen werkkamertje. Mijn blik viel op Justins foto op de plank, genomen tijdens een surfvakantie op Samoa die hij maakte in zijn eentje. Ik herinnerde me zijn verbrande huid bij thuiskomst, de velletjes die loslieten in ons bed en mijn neiging om ze eraf te peuteren, op te ruimen, glad te strijken, goed te maken, tegen de klippen op desnoods, maar het waren er te veel, de schade te groot. Na zijn dood ontwikkelde ik verwarrende lustgevoelens naar dat lijf, de enige die dat toen begreep was de Man, die midden in de nacht opendeed en me ladderzat uit liet huilen. ‘Het is een stevig huis’, haalde zijn vader me uit mijn gedachten. ‘It’s sturdy, daaraan zie je dat het destijds door de gemeente is gebouwd.’ Zelf woonden ze op dreigend land, de laatste earthquake had voor drie ton aan schade gezorgd, ze waren op een leeftijd gekomen dat ze nog maar weinig vervingen.

De middag was voor de Zaanse Schans, de enige trekpleister in de buurt. Opgeruimd liepen we door de warme juniregen, ik voor hun en zij voor mij, in het semi-originele, eerste Albert Heijntje van Nederland luisterde zijn vader beleefd naar de klaagzang van een verkoper die vond dat vroeger alles beter was en kochten zijn moeder en ik dezelfde poster, een ouderwetse advertentie van Molenaar’s Kindermeel uit Westzaan. Toen we weer verder liepen en omkeken om te zien waar vader bleef (zij, zuchtend: ‘He’s always behind’), schrok ik van de gelijkenis met zijn zoon. Toen we een moedereend met twee kleintjes passeerden kwam hij toch nog even ter sprake, zij het in morsetekens. ‘Ze beginnen met een nestje van vijf, zes’, zei ze teder, bijna geluidloos. ‘En er blijven maar één of twee over. If they’re lucky.’

’s Avonds aten we Indisch. Terwijl de mannen meer welwillend dan oprecht geïnteresseerd naar het staartje van Rusland - Saoedi-Arabië keken, brachten zijn moeder en ik de Dochters naar bed. Het beeld van een voorlezende oma die nooit oma was geworden bleef de rest van de nacht bij me.

Meer over