ColumnMerel van Vroonhoven

Geen van Martjes vriendinnen leest nog de krant of kijkt naar het nieuws

null Beeld
Merel van Vroonhoven

De deurbel gaat. Voor me staat een jonge vrouw van begin twintig in een kleurig geruite, wollen winterjas. Onder de wijde pijpen van haar spijkerbroek een paar zwartleren laarzen met reusachtige zolen. ‘Nou, hier ben ik dan. Ik ben dus Martje’, zegt ze. Een kleine trilling in haar stem verraadt onzekerheid achter haar stoere voorkomen.

Vlak voor de Kerst mailde ze. Of ik wilde meewerken aan haar afstudeerproject voor de School voor Journalistiek. Ze was bezig met een podcast voor jonge vrouwen die bijna klaar zijn met hun studie en worstelen met de vraag: hoe nu verder? Gezien mijn eerdere loopbaan in het bedrijfsleven en stap naar het leraarschap vermoedde ze ‘dat ik vast wel goede tips had’.

Met inspirerende verhalen van rolmodellen hoopt Martje andere jonge vrouwen te helpen in hun zoektocht naar een betekenisvol leven. Onder haar generatiegenoten ziet ze veel stress en onzekerheid.

‘Twee jaar corona hakt er behoorlijk in’, vertelt ze, terwijl ze haar microfoon en opnamerecorder installeert op mijn keukentafel. ‘En dan al die grote problemen die op ons afkomen, zoals de klimaatcrisis, de woningmarktcrisis, de groeiende kansenongelijkheid en een arbeidsmarkt vol flexcontracten. Is er voor ons nog wel een toekomst?’

Het sombere toekomstperspectief – en de ellende waarmee kranten dagelijks vol staan – verlamt en maakt angstig. Met uitzondering van andere journalistiekstudenten leest geen van Martjes vriendinnen nog de krant of kijkt naar het nieuws. Ze zijn domweg afgehaakt.

Na afloop van ons gesprek vraag ik Martje hoe ze haar eigen toekomst ziet. Even valt ze stil. ‘Mijn droom was om een ijzersterke, kritische onderzoeksjournalist te worden.’ Maar inmiddels weet ze het niet zo zeker meer. ‘Altijd maar die waan van de dag, de op sensatie beluste vragen. Zoeken naar wat er misgaat, zonder oplossingen aan te dragen. Het groot maken van incidenten. Ik ben er zo ziek van.’ Weer is het stil.

Ik moet denken aan de lezersbrief van Jan Heijmans van eind vorige maand, waarin hij refereert aan een Volkskrant-artikel over de rol van de journalistiek in de Haagse bestuurscultuur. Hoewel niet verantwoordelijk, heeft de pers wel een aanzienlijke rol in de beïnvloeding daarvan, concludeert het artikel. Heijmans voegt in zijn brief een dimensie toe. Hij waarschuwt voor ‘de onvermijdelijke nevenschade’ van een te eenzijdige focus op slecht nieuws in de vorm van een steeds verder afkalvend vertrouwen van burgers in overheid en instellingen. Hij pleit voor diepgaand wetenschappelijk onderzoek naar de rol van de media op het huidige maatschappelijke klimaat, plus aanbevelingen.

‘Dat zou mooi zijn’, zegt Martje. Haar ogen beginnen te glimmen. ‘Weet je, ik wil constructieve journalistiek bedrijven. Niet alleen kritisch beschrijven wat verkeerd gaat, maar ook oplossingen in beeld brengen. Die zijn er ook, maar krijgen zelden een podium.’

‘Wat let je?’, vraag ik haar. ‘Ach’, zegt ze, ‘constructieve journalistiek wordt al snel afgedaan als een goednieuwsshow. Terwijl ik er juist van overtuigd ben dat op die manier journalistiek een veel beter en eerlijker beeld geeft van de werkelijkheid.’ Ze zucht. ‘Maar wie wil daarvoor betalen? Van constructief nieuws kan een journalist niet leven.’

Haar vertwijfeling raakt me. Want niet alleen Martje en haar jonge generatiegenoten hunkeren naar journalistiek die – behalve problemen onthult en kritisch is – vaker perspectief biedt. Dat doen 53-jarige ex-bestuursvoorzitters die voor de klas staan immers ook.