Opinie

Fossiele brandstoffen in de grond houden is de snelste weg naar de klimaatdoelen

Het Klimaatakkoord van Parijs richt zich bijna geheel op het beperken van emissies, maar het is eenvoudiger en efficiënter om het delven van fossiele brandstoffen af te bouwen naar nul, betoogt Ellen Holtmaat.

Oliewinning in Texas.  Beeld Getty Images
Oliewinning in Texas.Beeld Getty Images

Het Parijse Klimaatakkoord richt zich bijna geheel op het beperken van emissies, terwijl klimaatbeleid zich veel meer zou moeten richten op het in de grond houden van fossiele brandstoffen. Een goede eerste stap in die richting is gezet met de gewonnen rechtszaak van Milieudefensie tegen Shell. Ook stelde het Internationaal Energie Agentschap (IEA) onlangs dat er een einde moet komen aan investeringen in nieuwe projecten voor de winning van fossiele brandstoffen. Maar hoe zit het met bestaande projecten?

Overheden zouden bijvoorbeeld kunnen afspreken het delven van fossiele brandstoffen iedere acht jaar met 25 procent terug te dringen. Op deze manier is er tijd om alternatieven te organiseren en de economie aan te passen. Bovendien weten we hiermee zeker dat er geen extra CO2 in de atmosfeer komt en dat investeringen in en het gebruik van alternatieve brandstoffen automatisch en efficiënt zullen volgen.

Beleid dat het aanbod van fossiele brandstoffen beperkt, verhoogt de prijs ervan. Hoe hoger de prijs, hoe interessanter het is op alternatieve energiebronnen over te gaan. Dit maakt investeringen aantrekkelijker en leidt tot betere technologie en prijsverlaging van alternatieve energie: dan kom je in een vicieuze cirkel in de goede richting. Bovendien is ander beleid, behalve carbon capture (afvangen en opslaan van CO2, red.), ook alleen effectief voor zover het fossiele brandstoffen in de grond houdt.

Alternatieve energie

Beleid dat zich richt op het verminderen van de vraag naar fossiele brandstof, werkt vaak averechts. Doordat de vraag vermindert, gaat de prijs omlaag, waardoor toepassing elders aantrekkelijker wordt. Onderzoek laat ook zien dat het stimuleren van alternatieve energie niet leidt tot een evenredige afname van de inzet van fossiele brandstoffen. De alternatieve energie is dus vaak meer een toevoeging dan een vervanging van vervuilende energie.

Fossiele brandstoffen in de grond houden is een directere aanpak van het klimaatprobleem dan het terugdringen van emissies. Vooral omdat CO2-uitstoot ook onderdeel kan zijn van een natuurlijke koolstof­kring­loop. Het verbranden van fossiele brandstoffen levert extra CO2 op die geen onderdeel is van die cyclus. De nadruk op CO2-uitstoot gaat aan dit onderscheid voorbij en leidt af van een meer gefocuste aanpak.

Doordat olie- en mijnbouwbedrijven machtige spelers en soms zelfs staatsbedrijven zijn, is uitfasering van fossiele brandstoffen een politiek gevoelig voorstel. Maar dit betekent niet dat we deze oplossing in het publieke debat dan maar niet moeten noemen. Juist het wél noemen van deze voor de hand liggende oplossing voert de druk op deze bedrijven en landen op.

Vervuilende industrie

Dat deze bedrijven werkgelegenheid creëren, maakt het voorstel nog lastiger. Maar: duurzame energievoorziening levert niet per definitie minder werk op dan de vervuilende industrie. Bovendien leiden deze nieuwe banen tot kennis en vaardigheden die op de lange termijn meer opleveren en een betere uitgangspositie geven voor de economie van de toekomst.

Daarnaast is dit beleid veel simpeler en efficiënter. Overheden hoeven alleen te zorgen dat het delven van fossiele brandstoffen wordt afgebouwd; vervolgens wordt het gebruik van alternatieve energiebronnen economisch aantrekkelijker. En leidt tot minder bureaucratie en perverse prikkels dan andere voorstellen, zoals CO2-belastingen en subsidies voor alternatieve energie.

Zulk beleid is ook makkelijker te controleren. Op dit moment wordt gestuurd op emissies. Zo zijn we afhankelijk van meer dan tweehonderd landen en miljoenen bedrijven, terwijl slechts een beperkt aantal ondernemingen fossiele brandstoffen delft. Bovendien zijn emissies vaak onzichtbaar en zijn we voor het controleren ervan afhankelijk van bedrijven die baat hebben bij onderrapportage. Daarentegen is het oppompen van olie met het blote oog te zien. Bedrijven hebben hier zelfs een vergunning voor nodig. Nog een voordeel: deze grote bedrijven zijn vaak ‘onderdaan’ van landen als Nederland, Engeland en de VS, dus de naleving van dit beleid hebben we deels in eigen hand.

Vaak luidt de kritiek dat we nog niet zonder fossiele brandstoffen kunnen. Dit kan waar zijn, maar aangezien we ook niet mét ze kunnen, kunnen we beter de juiste prikkels creëren, zodat we tenminste nog enige kans maken om een desastreuze klimaatverandering te voorkomen. Een verbod op het delven van fossiele brandstoffen pakt het probleem bij de bron aan, laat weinig ruimte om te sjoemelen en geeft de juiste economische prikkels voor de ontwikkeling en het gebruik van alternatieve energie.


Ellen Holtmaat is onderzoeker aan de London School of Economics.

Wat vinden maatschappelijke organisaties van dit plan?

‘Wij vinden het een goed idee om beleid te maken voor het afbouwen van de winning van fossiele brandstoffen’, reageert Rob van Tilburg, directeur programma’s van Natuur & Milieu. ‘Dat gebeurt ook al in Nederland. Zo is in het Noordzeeakkoord afgesproken dat de winning van aardgas op de Noordzee in lijn moet zijn met wat nodig is voor de doelstelling van het klimaatakkoord van Parijs, namelijk maximaal 1,5 graden opwarming. Natuur & Milieu is medeopsteller en ondertekenaar van dit akkoord.

‘Internationaal is het echter moeilijk af te dwingen dat landen hun fossiele brandstoffen in de grond moeten houden, of niet meer mogen verhandelen. Met beleid dat enkel hierop is gericht gaat de transitie niet snel genoeg. Daarom moeten we kiezen voor beleid dat gericht is op het afbouwen van de winning én op het stimuleren van de alternatieven en het beprijzen van de uitstoot; we moeten het dus allebei doen. Een stevige CO2-heffing stimuleert wel degelijk energiebesparing en bevordert de opwekking van duurzame energie. Alleen door over de hele linie effectief beleid te formuleren kunnen we genoeg tempo maken om de 1,5 graden-doelstelling van Parijs in beeld te houden.’

Marjan Minnesma, directeur van Stichting Urgenda: ‘De bijzondere uitspraak in de rechtszaak van Milieudefensie tegen Shell eist dat het bedrijf zijn uitstoot met 45 procent gaat verminderen ten opzichte van 2019. Je zou zeggen dat er dan meer olie en gas in de grond moet blijven. De roep om niet alles wat er is te benutten, speelt al vele jaren, maar nu wordt de druk opgevoerd met een prachtig vonnis. Daarin staat dat bedrijven een individuele verantwoordelijkheid hebben en zich niet mogen verschuilen achter het feit dat wat ze doen niet verboden is.

‘Klimaatverandering heeft zulke grote gevolgen dat de uitstoot binnen tien jaar gehalveerd moet worden en iedereen staat aan de lat. Het idee om ook het delven van olie, kolen en gas dus nu aan banden te leggen en in ieder geval niet te zoeken naar nieuwe bronnen, sluit daar goed bij aan. Het is misschien ook een van de weinige dingen die voor Shell en concurrenten zoden aan de dijk zet, en inderdaad ook goed te meten is.’ Volgens Minnesma is er genoeg werk in de duurzame energie en aanverwante sectoren, zodat werknemers van olie- en gasbedrijven zich daarover geen zorgen hoeven te maken.

Meer over