OPINIEFatsoen

Fatsoen is een deugd met een lange adem. En van het politieke midden

Beeld Joren Joshua

Joe Biden deed een beroep op het fatsoen en tientallen miljoenen kiezers bleken daar niet zoveel mee op te hebben. In Nederland hangt er om fatsoen nog altijd een spruitjeslucht. Ten onrechte, betoogt Sander van Walsum: de burgerlijkste van alle deugden wordt node gemist.

Fatsoen: dat woord gebruikt schrijver Katrin Himmler, de 53-jarige achternicht van ‘Reichsführer SS’ Heinrich Himmler, dus nooit. Het heeft, lichtte zij in 2007 in de Volkskrant toe, zijn betekenis verloren door toedoen van oudoom Heinrich. Die bracht er zijn waardering voor zijn manschappen mee tot uitdrukking tijdens een rede die hij op 4 oktober 1943 hield in Posen, het huidige Poznan (in Polen). Als uitvoerders van de Shoah – ‘Endlösung’ in de terminologie van de SS – moesten zijn mannen vaak ‘tussen vijfhonderd of duizend lijken’ hun zware werk doen. Desondanks hielden ze vol en bleven ze ‘fatsoenlijk’, in de onnavolgbare gedachtengang van Himmler – die zich twee jaar later evengoed niet voor het ‘fatsoen’ van zijn keurkorps wilde verantwoorden.

Sindsdien valt bij de Himmlers het woord ‘fatsoen’ – ‘Anstand’ in het Duits – uitsluitend als ze ruzie hebben met elkaar. Zo zei een nicht over haar vader Gebhard, een broer van de SS-leider: ‘Een ding was hij altijd: fatsoenlijk.’ ‘Een negatievere kwalificatie is nauwelijks denkbaar’, zei Katrin Himmler. Dat had haar (Joodse) echtgenoot – inmiddels ex-echtgenoot – snel in de gaten. ‘Als hij me wilde kwetsen, noemde hij me fatsoenlijk.’

De familie Himmler lijkt in het Duitse taalgebied betrekkelijk alleen te staan met haar begrijpelijke gevoeligheid voor het woord ‘fatsoen’. Sterker: het wordt bij uitstek met de keurige, degelijke Bondsrepubliek in verband gebracht. De eerste geslaagde democratie op Duitse bodem was niet het product van een revolutie, zoals de Weimarrepubliek, en zelfs niet van een grondige denazificatie van het Duitse bestuursapparaat, maar van alledaags fatsoen. Van een terugkeer naar de veronderstelde deugden uit de tijd vóór Hitler.

Paradijs van de middelmaat

Deze ontwikkeling is ‘vooral zo wonderbaarlijk’, schrijft Harald Jähner in zijn onlangs verschenen boek Wolfstijd, omdat ze ‘zo onspectaculair uitpakte’. In dat verband citeert hij de Duitse arts/schrijver Alfred Döblin, die de ‘bescheiden, brave, burgerlijke realiteit’ van de Bondsrepubliek zag als ‘tegenpool van de arrogante, antiburgerlijke nationaal-socialistische tirannie’. Dit ‘veelvuldig bespotte paradijs van de middelmaat’ was de wraak van de geschiedenis op het agressieve, expansieve, hyperactieve Derde Rijk.

Middelmaat is dan ook de menselijke maat. Daarbij passen geen heroïek of grote gebaren. Daarbij past fatsoen, de burgerlijkste van alle deugden. In die geest riep Gerhard Schröder, bondskanselier van 1998 tot 2005, na een aanslag op de synagoge in Düsseldorf (in 2000) op tot een ‘Aufstand der Anständigen’ – een opstand van fatsoenlijke Duitsers. Met een beroep op fatsoen meende hij – vermoedelijk terecht – meer te bereiken dan met een beroep op moed of offerzin. Want moed en offerzin zijn in de uitvoering niet lang vol te houden, terwijl fatsoen een levenshouding is – duurzaam en (tot op zekere hoogte) overdraagbaar.

Fatsoen is een deugd van de lange adem. En fatsoen is een deugd van het politieke midden. In zijn campagne voor het presidentschap stelde Joe Biden fatsoen – decency – tegenover de hyperbolen, de protserigheid en de schaamteloosheid van de zittende president. Vastgesteld kan worden dat tientallen miljoenen kiezers niet zoveel op hebben met deze deugd, die door hun idool verdacht is gemaakt. Maar een fatsoenlijke samenleving is ook een weerbare samenleving. Voor de Duits-Joodse filoloog Victor Klemperer, die de nazitijd ternauwernood overleefde, was fatsoen bijna een synoniem van Zivilcourage – burgermoed. Dat was de noemer van de kleine gebaren waaruit bleek dat niet alle Duitsers zich mentaal door Hitler hadden laten inlijven.

Routine

Van burgermoed geven de mensen blijk die na een islamitische terreuraanslag weer aan het werk gaan, en ’s avonds weer de restaurants, bioscopen en andere potentiële doelwitten van de terroristen bezoeken. De alledaagse heroïek van de Britten tijdens de Blitz – de luchtaanvallen op Britse steden tijdens de Tweede Wereldoorlog – werd belichaamd door de postbode die, staand op verse puinhopen, op het gebruikelijke tijdstip de brievenbus leegde, of door de melkleverancier die zijn bestellingen afleverde terwijl achter hem de laatste branden werden geblust.

Deze business as usual getuigt vooral van de oermenselijke hang naar ‘normaliteit’. De neiging om met alledaagse routine het hoofd te bieden aan een uitzonderingstoestand. Dat is mogelijk ook de reden waarom de coronamaatregelen toenemende weerstand oproepen: ze doorkruisen de routine van forenzen, kantoorwerkers en het uitgaand publiek. Ook vanwege hun lange duur en hun ongewisse effecten trekken die maatregelen een zwaardere wissel op de alledaagse routine dan een terreuraanslag waarvan de rommel doorgaans na een paar dagen wel weer is opgeruimd.

Na de aanslagen in Wenen, afgelopen maandag, werd ‘onze manier van leven’ weer als het eigenlijke doelwit van de terroristen aangemerkt, en werd voortzetting van ‘onze manier van leven’ aangeprezen als het passende antwoord op terrorisme. Bij de coronacrisis daarentegen is ‘onze manier van leven’ een deel – zo niet de hoofdmoot – van het probleem. En dat schept verwarring en vertwijfeling, die ook nog eens lekker wordt opgepookt door antivaxxers, complotdenkers en onfatsoenlijke politici.

Fatsoen is een verschijningsvorm van wat socioloog Norbert Elias (1897-1990) ‘het civilisatieproces’ noemde: de geleidelijke verfijning van menselijk gedrag, waarbij de maatschappelijke bovenlaag de toon zette, ofwel: het goede voorbeeld gaf. Het toenemende vermogen van mensen om zichzelf te beheersen – om er bij onenigheid niet meteen letterlijk of figuurlijk op los te slaan – was het meest wezenlijke onderdeel van dat proces. ‘Selbstzwang’, noemde Elias de beteugeling van menselijke driften die vaak aanleiding gaven tot conflicten, moord, doodslag – en slechte manieren in het algemeen.

Beeld Joren Joshua

Benepenheid

Hoewel fatsoen onderdeel is van de levenshouding die de meeste mensen op z’n minst zullen nastreven, heeft het woord in Nederland een minder uitnodigende klank dan Anstand in Duitsland, decency in de Engelssprekende wereld en décence of bienséance in de francofone wereld. Misschien is fatsoen in andere taalgebieden een moreel gebod, terwijl het in Nederland vooral met conventies – aangeleerde regels en omgangsvormen – wordt geassocieerd. In de jaren zestig ontwikkelde het zich tot het synoniem van ‘spruitjesmoraal’, benepenheid en schijnheiligheid. Wie zich naar de geest van de tijd wilde voegen, zou zichzelf nimmer ‘fatsoenlijk’ hebben willen noemen.

‘Fatsoenlijk’ was de buurman die de voetbal lek prikte die door toedoen van zijn buurkinderen op zijn onkruidvrije gazon was terechtgekomen. ‘Fatsoenlijk’ was de man die in een lege straat voor een rood voetgangerslicht bleef wachten. De ‘fatsoensrakker’ – een uit 1935 stammend neologisme – wordt gedefinieerd als ‘zedenmeester’ of als ‘iemand die zijn normen aan anderen wil opleggen’. Nou, met die types wisten de kleinkunstenaars en de romanschrijvers in de jaren zestig en zeventig wel raad.

Hun invloed strekt zich uit tot op de huidige dag, want nog steeds is behoedzaamheid geboden bij het gebruik van ‘fatsoen’. Het streven naar ‘fatsoenlijk wonen’ en ‘fatsoenlijk werk’ zal in meerdere verkiezingsprogramma’s worden vertolkt. Maar tegen fatsoen als burgerdeugd lijkt de goede smaak van de verlichte mens zich nog altijd te verzetten. Jan Peter Balkenende, christen-democratisch minister-president van 2002 tot 2010, heeft geprobeerd daar wat aan te doen met de leuze ‘fatsoen moet je doen’. Daarmee riep hij evenveel hoon over zichzelf af als met zijn oproep om de ‘VOC-mentaliteit’ weer te omhelzen.

Dat is jammer. Want er is zo gauw geen etymologisch alternatief voor fatsoen. En in het maatschappelijk verkeer wordt fatsoen, in de onbezoedelde zin van het woord, node gemist – getuige alleen al de grote behoefte waarin het initiatief ‘Nederland in gesprek’ bleek te voorzien, de poging van de Volkskrant om lezers met uiteenlopende opvattingen over uiteenlopende onderwerpen met elkaar in gesprek te brengen. Daarbij ging het niet zozeer om de inhoud, en nog minder om het gelijk van deze of gene deelnemer, maar om de toonzetting van het gesprek. Om de simpele bereidheid om naar elkaar te luisteren, om kennis te nemen van andere meningen, om het er met elkaar over eens te kunnen zijn dat je het oneens bent.

Institutioneel onfatsoen

In de Verenigde Staten is zichtbaar geworden wat de gevolgen zijn van vier jaar institutioneel onfatsoen, belichaamd door een president die andere opvattingen dan de zijne verdacht maakt, die bevolkingsgroepen stelselmatig tegen elkaar heeft opgezet, en die ver vóór de verkiezingen al kenbaar maakte een hem onwelgevallige uitslag niet te zullen accepteren. Waarmee hij zijn opgefokte aanhangers feitelijk opriep ertegen in opstand te komen. De oproep tot fatsoen van zijn tegenstrever werd overstemd door trumpiaans tumult.

Wij, in Nederland, hebben er met verwondering en klimmend onbehagen naar gekeken – geamuseerdheid kunnen wij ons allang niet meer veroorloven. Gelukkig heeft Trump in de Nederlandse politiek vooralsnog betrekkelijk weinig navolging gekregen. Van een parlementaire constellatie met veertien in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen gaat nog altijd een matigende invloed uit. Maar in de buitenparlementaire debatten worden nuance en redelijkheid stelselmatig verdacht gemaakt. Op de sociale media wordt bitter gestreden met de inzet van verdachtmakingen en hyperbolen.

Het infame, anonieme algoritme wordt als boosdoener aangewezen. Alsof gebruikers van de sociale media daar willoos aan zijn onderworpen. Techbedrijven zouden de afnemers van hun digitale producten tegen zichzelf in bescherming moeten nemen door hun algoritmen te kuisen dan wel om te leiden. Het tijdschrift Gezond Verstand, van de ‘ontwaakte’ NRC-veteraan Karel van Wolferen, zou verboden moeten worden om de mensen te vrijwaren van complottheorieën. Met dit soort maatregelen zouden echter slechts de symptomen worden bestreden van het eigenlijke probleem: het gemis aan fatsoen in het maatschappelijk debat. Dat fatsoen heeft niet zozeer betrekking op de inhoud van de standpunten, maar op de woorden waarmee die standpunten worden vertolkt. Een honorabel standpunt kan betekenisloos worden als het met een overmaat aan strijdbaarheid wordt vertolkt. Omgekeerd kan onfatsoen – of erger – niet door fatsoen worden gemaskeerd.

Strijdkreten

Fatsoen leent zich niet voor strijdkreten of voor massabewegingen. Fatsoen hoeft niet te worden georganiseerd. Fatsoen kan door iedereen op elk moment van de dag bij elke ontmoeting en bij elke transactie in de praktijk worden gebracht. Als kalmeringsmiddel tegen de opwinding waarin debatdeelnemers elkaar gevangen houden. Als uitnodiging om netjes met elkaar en met de leefomgeving om te gaan. In de samenleving waarin fatsoen de norm is, zal minder geschamperd, minder gescholden en minder geklaagd worden. Er zal minder opwinding en felheid heersen, maar dat zullen we als een weldaad ervaren.

Cultuurpessimisten vragen zich af of het civilisatieproces de laatste jaren een terugtrekkende beweging heeft gemaakt. Vermoedelijk had Norbert Elias, als hij nog had geleefd, hen kunnen geruststellen. Het civilisatieproces – dat volgens hem omstreeks het jaar 1000 moest zijn begonnen – had geen lineair maar een schommelend verloop. Op gezette tijden loopt de beschavingscurve een deuk op. Als (Joods) kind van de 20ste eeuw was hij daar zelf meermaals getuige van. Als Elias al onder de indruk zou zijn geweest van trumpiaans onfatsoen, van virtuele doodsverwensingen en Twittervetes, zou hij hierin hooguit een korte onderbreking hebben gezien van het civilisatieproces. Binnenkort zou het fatsoen dus gewoon zijn zegetocht moeten hervatten.

Meer over