VerslaggeverscolumnToine Heijmans in Boxtel

Even een ander bericht uit het verpleeghuis van Sanna, die de eerste prik tegen het virus kreeg

null Beeld

De eerste prik tegen corona ging live op tv in de bovenarm van verpleeghuisverzorgende Sanna Elkadiri en sindsdien weten de virusontkenners en vaccinhaters haar te vinden, op zo’n manier dat nazorg nodig was. Elkaar de maat nemen is een Hollandse gewoonte geworden, gespiegeld in de Tweede Kamer, en al dan niet opgejut door praatprogramma’s die kijkcijfers met kwaliteit verwarren en ongegeneerd types uitnodigen met een zogenaamd andere blik op de werkelijkheid, vanwege het ‘debat’.

Dat vooraf.

Maar nu een ander bericht uit het verpleeghuis waar Sanna werkt.

Op de benedenverdieping rijdt zuster Betsie Rijkers haar rollator naar de kapel en vertelt hoe ze dertig jaar in Tanzania woonde – ‘Tanzania!’ zegt ze, en begint zacht te zingen en te bewegen. Als je Afrika kent ben je wat gewend, zegt ze. ‘Ik pas me gemakkelijk aan’, dus dit is een ‘práchtig’ verpleeghuis, ‘met een goeie keuken!’

Op de bovenverdieping kookt Nuran Bayram okra met bulgur en witte kool, ze drinken er straks ayran bij en ze vraagt of ik wil proeven van het dessert: aşure. Nuran werkt met ‘onze ouderen’, is cliëntondersteuner en kok. Op haar afdeling wonen vooral Turkse senioren maar ook die doen weleens mee met de tai chi van de Indische verdieping, of niet, kan ook.

Witte Zusters, Turkse oma’s, Javaanse Surinamers, Brabanders, Syriërs, Molukkers: het warrelt door elkaar, voor zover het virus dat nog toelaat. Iedereen leeft in dit verpleeghuis met zichzelf en met de ander, niemand neemt elkaar de maat. Ze vieren er zolang het nog kan elk feest dat te vieren valt, uit welk land dan ook: Pasen, Suikerfeest, lichtfeest, carnaval – wie dementeert grijpt terug op wat er was.

Nuran Bayram. Beeld Toine Heijmans
Nuran Bayram.Beeld Toine Heijmans

‘Cultuursensitieve zorgverlening’, noemt Jan-Kees Metz de situatie. Hij is de directeur. ‘Je vraagt je zeker af hoe dat hier terechtkomt en niet in de grote stad.’ Opgericht in 1972 is het de erfenis van de katholieke geschiedenis: opvang voor oudere missionarissen die na decennia Azië, Afrika of Latijns-Amerika terugkeerden in Nederland, en soms niet eens de taal meer spraken. Mensen die, anders dan veel Nederlanders, geen angst kennen voor de wereld maar wel continu zorg nodig hebben.

Na de onafhankelijkheid van Suriname kwamen ouderen uit de ‘Indische doelgroep’ naar het Wereldhuis, dat is de tweede groep, en nu weten steeds meer ‘niet-westerse allochtonen’ het te vinden. Aarzelend, want een verpleeghuis staat haaks op de gewoonte dat de kinderen hun ouders verzorgen. Nuran had zeven jaar haar schoonouders in huis, ‘dat is zwáár’ en ondoenlijk als je allebei werkt.

Een gewoon verpleeghuis, zegt Jan-Kees, biedt snel ‘de verkeerde vorm van zorg’. Hier kennen de verzorgers vaak de taal, zo zijn geen tolken nodig (veel zusters en broeders trouwens spreken vloeiend Frans of zelfs Arabisch, dat scheelt).

De Syrische vluchtelingen, de pater uit Brazilië, de Marokkaanse grootmoeders: ze komen allemaal met hun ‘beleden culturele waarden’, zoals Jan-Kees ze noemt. Ze zijn allemaal gewend zich aan te passen en hebben hun eigen smaak. Er is een halal-, westerse en Indische keuken, want vasthouden aan het bekende is belangrijk bij dementie, en de religieuzen voegen zich daar naadloos in, ‘ook zij zijn vaak niet meer gewend aan Hollands eten’.

Elke dag om half vijf is er een katholieke viering in de kapel en de moslims bidden in de moskee ertegenover, waar elke vrijdag een imam voorgaat die ook mensen van buiten trekt. Daarnaast staat een manshoog houten beeld, gemaakt door een pater die een leven lang op Madagaskar woonde, en in een schuurtje kon doorgaan met houtbewerken.

Het woord ‘aanpassen’ dat je zo vaak hoort, krijgt hier een andere betekenis. Het gaat weleens mis, zegt Jan-Kees, al die wereldmensen door elkaar, maar meestal niet.

Er wonen 124 ouderen. Een kwart stierf in de eerste lockdown, op de Indische afdeling zelfs eenderde. Nu is het huis virusvrij en zijn ze doodsbenauwd voor de derde golf. Nog niet alle medewerkers zijn ingeënt en van de bewoners niemand, maar ze hopen snel op een schild van immuniteit. Opdat zuster Betsie weer met Nuran kan kletsen bij de riksja in de hal, in een wolk van rust en verdraagzaamheid, te saai voor de praatprogramma’s op tv.

Meer over