ColumnSheila Sitalsing

Er wordt nu niet meer zo lacherig gedaan over de link tussen dierenwelzijn en onze gezondheid

null Beeld

Sinds corona vanuit après-skibars het land ­binnenkwam, weten de meeste mensen het wel. Dat meer dan de helft van alle bekende ­infectieziekten en een nog groter deel (zo’n 70 procent) van alle nieuwe infectieziekten via een varken, vleermuis, geit of ander dier op de mens is overgesprongen, soms rechtstreeks, soms langs een kronkelweg. (Al is er in kleinere kring ook hardnekkige steun voor de theorie dat covid-19 en al zijn gemuteerde broertjes zijn verzonnen om ons eronder te houden, of door de Amerikanen zijn gemaakt in een fabriek voor chemische oorlog­voering, of door de hagedismensen zijn verspreid – waarmee we weer bij het dier als bron zijn aangeland.)

Toen wetenschapper Floor Haalboom met haar promotieonderzoek naar zoönosen in de Volkskrant stond, het was in de nazomer van 2017, was het woord zoönose nog een vakterm. Gebruikt door wetenschappelijk onderzoekers. Door slachtoffers van de Q-koorts – of hun nabestaanden – die zich verdwaasd afvroegen hoe de ramp in godsnaam hun leven was binnengeslopen. En door volksvertegenwoordigers in de Tweede Kamer die specialist landbouwbeleid waren.

Die laatste groep benadrukte in Kamerdebatten over dierziekten vaak hoe zielig het was voor de boeren wier dieren werden getroffen, en hoe economisch onvoordelig. Af en toe zei een parlementariër dat we niet moeten vergeten dat het houden van heel veel dieren op een heel klein oppervlak, om ze op te eten of er heel veel melk uit te trekken, of in bevroren toestand naar China te exporteren, ook vanuit volksgezondheidsoogpunt niet handig is. Dat was vrijwel altijd een Kamerlid van een partij die doorgaans als ‘links’ wordt geclassificeerd, wat gek is, want ziek worden is niet voorbehouden aan ‘links’ zijn.

Bovenstaande observatie is geen zuur verzinsel. Haalbooms proefschrift, een historisch onderzoek naar de aanpak van zoönosen zoals rundertuberculose, influenza, ­salmonella en gekkekoeienziekte, werd vier jaar geleden aldus samengevat in de krant: ‘Bij de bestrijding van dierziekten die kunnen overspringen op mensen, is het boerenbelang voor de overheid steeds dominant geweest; de volksgezondheid komt hoogstens op de tweede plaats. Dat was niet alleen het geval tijdens de Q-koortscrisis van 2007 tot 2010, maar het gebeurt al meer dan honderd jaar.’

De Q-koortsslachtoffers wisten dat allang. Ze hebben ­jarenlang geprocedeerd tegen de staat.

Er waren twee Kamerleden die al sinds hun aantreden in de Kamer in 2006 consequent wezen op de samenhang tussen hoe we met dieren omgaan, de staat van het milieu, het dierenwelzijn, de toekomst van de aarde en de volks­gezondheid: Marianne Thieme en Esther Ouwehand. Ze kwamen van een partij waar collega-politici net zo consequent lacherig over deden, want bloedserieuze vrouwtjes met malle standpunten.

‘De diertjes’, zei de premier graag, alsof hij het over een zwakbegaafd neefje had. Dat was voordat hij erachter kwam dat zo’n zoönose best vervelend kan zijn, en dat hij nu verkiezingen in moet met een almaar narriger ­wordend electoraat.

Inmiddels is het niet meer ‘heel erg links’ om het zoönoserisico problematisch te vinden. In diverse verkiezingsprogramma’s zijn varianten terug te vinden op de opvatting dat de intensieve veehouderij zijn beste tijd heeft ­gehad, dat dierziekten een serieuzere behandeling verdienen, dat zaken als ontbossing en illegale handel in exotische dieren een groot risico vormen. Zelfs in het programma van de VVD stuitte de zoekmachine op het woord ‘dierenrechten’; dat bleek bij nadere beschouwing te gaan over de rechten van boeren om veel dieren te houden.

Nu nog het waanidee bestrijden dat bezorgdheid over het klimaat ‘links’ zou zijn.

Luister verder over de campagne van de Partij voor de Dieren in onze verkiezingspodcast Koorts

Meer over