ColumnSheila Sitalsing

En hup, door naar de volgende ophef. Maar eerst nog een filmpje knippen

null Beeld

Bart Snels, parlementariër voor GroenLinks die er deze week de brui aan gaf omdat het hem een gruwel is dat zijn partij zich heeft vastgeklonken aan de PvdA, besteedt in zijn afscheidsbrief pittige woorden aan de mores in het parlement. De Haagse politiek, schrijft hij, ‘lijkt alleen nog te gaan over het beschadigen van anderen’.

Kamerleden die bewindslieden aan de lopende band voor leugenaar uitmaken. Met moties van afkeuring en wantrouwen strooien alsof ze in de aanbieding zijn. Ambtenaren aanvallen alsof die politiek verantwoordelijk zijn voor slecht beleid. Snels vindt het ‘destructieve politiek, zelden gericht op iets tot stand brengen in samenwerking met anderen’. Verderop vallen ook nog de woorden ‘getuigenispolitiek’ en ‘onverantwoordelijk opportunisme’.

Snels noemt het slechte functioneren van de Kamer ‘het grote taboe in het debat over de politieke bestuurscultuur’. Een taboe is iets waar men over zwijgt, maar klachten zoals hierboven zijn voortdurend te horen. Al lang. Luid ook.

Je kunt opeenvolgende informateurs horen klagen over parlementariërs die leven van de ophef en van het lanceren van geinige plannetjes zonder consequenties. En die weinig belang lijken te hebben bij samenwerken, omdat ze dan niet meer in heilige verontwaardiging kunnen ontsteken aan de interruptiemicrofoon. Van die microfoonscènes knippen ze kekke filmfragmentjes (‘zie mij eens in twintig seconden de minister platbeuken’) die ze trots instagrammen ten behoeve van hun adorerende gevolg.

Je kunt het teruglezen in het afscheidsinterview dat Carla Dik-Faber, toegewijd en effectief Kamerlid voor de ChristenUnie, aan de Volkskrant gaf toen ze vorig jaar besloot niet terug te keren. Het ongenoegen smeulde al langer: over ‘een bepaalde polarisatie’ in de Kamer, over moties van wantrouwen die niks betekenen, over de verharding van het Kamerwerk waardoor het lastig is ‘iets op te bouwen’. Iets opbouwen vergt veel compromisbereidheid en weinig kekke filmpjes.

Nu zijn klachten over de Tweede Kamer als klachten over de jeugd van tegenwoordig: ook die deugt zelden. Tien, twintig jaar geleden kon je al zorgelijke geluiden optekenen over mores en werkwijze van de Kamer.

De constante én de ernstigste consequentie van een parlement dat niet goed functioneert: er rolde toen slechte wetgeving van de band, en dat gebeurt nog steeds. De mensen voor wie politici zeggen te willen werken worden daar de dupe van.

De commissie die eind vorig jaar onderzocht waarom het vaak misgaat tussen burger en overheid noteerde het al: volksvertegenwoordigers hebben te weinig kennis, krijgen te weinig informatie en nemen te weinig tijd om zich te kunnen verdiepen in de gevolgen van onwerkbare wetgeving waar ze de samenleving mee opzadelen. Er is weinig interesse in vooraf toetsen en nog minder interesse in evalueren. Want volgende debat, nieuwe ophef.

De Eerste Kamer moet toezien op de kwaliteit van wat de Tweede Kamer heeft goedgekeurd, maar ook daar is het vlees zwak, zo liet NRC Handelsblad onlangs zien in een inzichtelijk verhaal over de totstandkoming van de zoveelste slechte wet. Over een aangescherpt kraakverbod. Een CDA-VVD-initiatief voor de bühne dat, zo stelden alle deskundigen, onwerkbaar is, weinig toevoegt aan bestaande regelgeving en van gebreken en slordigheden aan elkaar hangt. Toch kwam het niet alleen door de Tweede Kamer, maar ook door de Eerste. In NRC verklaarde senator Nanninga van Ja21: ‘Voor mij zijn praktische bezwaren geen reden zo’n voorstel as such af te keuren.’

En hup, door naar de volgende ophef die zal uitmonden in een ondoordachte beleidsdaad. Maar eerst nog de minister van liegen betichten en een filmpje knippen.

Meer over