ColumnEva Hoeke

En, hoe was het logeren geweest? ‘Weet ik niet’

null Beeld Aisha Zeijpveld
Beeld Aisha Zeijpveld

We zaten in de auto, de Dochter (5) en ik.

Via de achteruitkijkspiegel keek ik in een bleek bekkie, het konijn, haar rafelige vertrouweling, lag op haar schoot. In de Velsertunnel zag ik hoe ze gaapte terwijl een oranje gloed in strepen over haar gezicht trok.

Ze was uit logeren geweest. Bij mijn beste vriendin en haar zoontje (5), we zitten er elke zondag, bekend terrein dus. Gister heen, nu alweer terug. Uitje van niks. Niettemin had ze ’s ochtends al drie volle shoppers ingepakt. Een greep uit de spullen die mee moesten: twee popjes, een oud koekblik met armbanden en haarspullen, een doos viltstiften, haar lievelingssteen, twee potjes klei, een dinosauruspuzzel van tweehonderd stukjes, een roze klok zonder batterijen en zes kleurboeken, waaronder die met roosvenster mandala’s die ze van haar vader heeft gekregen (‘Rozetten, labyrinten en christelijke symbolen, een kleurboek voor volwassenen’), omdat ze alle kinderkleurboeken zo’n beetje heeft uitgespeeld.

Bovenop: haar knuffel.

Ik begreep de bezwering, de poging het vertrouwde decor van thuis na te bootsen voor het moment waarop het elders donker zou worden, maar benadrukte tijdens de overdracht dat ze de tassen ook onuitgepakt kon laten hoor, al dat gedoe. Daarna, tegen mijn vriendin: ‘Als er iets is bel je maar.’ Tot slot een kus voor de Dochter, van mijn kant dan – Jip & Janneke zaten al volop in hun spel.

De volgende ochtend kwam alsnog nog de ontlading. ‘Mama!’ had ze geroepen toen ik in de deuropening verscheen. ‘Je bent er!’ Daarna hadden ze zich verloren in een onnavolgbare verhaal over frites en hamburgers en iets met een spons en een hond in het bos, ze hadden elkaar overdreven omhelsd en daarna waren we gegaan, de tassen stonden al klaar in de gang.

En nu zaten we in de auto.

‘Hoe was het?’ vroeg ik via de spiegel.

Geen reactie.

‘Joehoe?’

Ze keek op. ‘Wat?’

‘Heb je het leuk gehad?’

‘Weet ik niet meer.’

Zo ging het vaak. Wanneer ik haar ophaalde van school: ‘Weet ik niet.’ Hoe was het bij oma? ‘Weet ik niet.’ Heel soms kwam het verhaal er ’s avonds alsnog uit, alsof de puzzelstukken dan pas in elkaar waren geschoven, misschien ook domweg om tijd te rekken, maar vaker moest ik het doen met een inschatting, een interpretatie, een optelsom van de emoties, de buien, het ongezegde. Ik herinnerde me hoe ik vroeger van de middelbare school naar huis fietste, hangend aan de arm van mijn vriendin, zo weinig geboeid door alles behalve onze eigen interesses, en hoe we daarna ook nog eens rustig een half uur stonden te ouwehoeren voor het ouderlijk huis, fiets tussen de benen, onderarmen op het stuur, terwijl mijn moeder drie meter verderop aan de keukentafel op me zat te wachten. Wanneer ik dan eindelijk binnenkwam en ze me vroeg hoe het was geweest antwoordde ik met niet veel meer dan een bloedeloos ‘Gewoon’, waarna ik via de koelkast doorliep naar boven, naar mijn eigen wereld, de vrouw die me had leren praten achterlatend met een kop lauwe thee.

Toen we de parkeerplaats naast ons huis opdraaiden keek de Dochter nog steeds uit het raam, haar duim en wijsvinger pulkend aan het oortje van konijn, een onafhankelijk klein wezen, niet van plan zich haar ervaringen te laten ontfutselen. Althans, niet tot die avond, toen ze na al onze dagelijkse handelingen, de plichten en gewoonten, de gebruikelijke spanning tussen ouderlijk gezag en kinderlijk verzet zei dat ze dol was op frites, maar nog meer op haar eigen bed.

Meer over