ColumnAleid Truijens

Een wonder van leesbaarheid, de Kamerbrief van onderwijsminister Wiersma. Maar de plannen zijn vaag

null Beeld
Aleid Truijens

Het is hoe dan ook opmerkelijk, en prijzenswaardig. Dennis Wiersma, minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, maakt meteen werk van zijn beloofde Masterplan basisvaardigheden. In een tien pagina’s tellende brief aan de Tweede Kamer zet hij zijn plannen uiteen: hij wil externe ‘basisteams’ instellen die ‘kennis, extra handen en hulp’ geven in het basis- en voortgezet onderwijs, om zo het niveau, in rekenen, lezen, schrijven, burgerschap en digitale vaardigheden, te vergroten. Hij gaat ze uitwerken met betrokkenen uit het onderwijs en komt dan in de zomer met concrete plannen. Al komend schooljaar moeten de scholen waar de nood het hoogst is hulp krijgen.

Wat je inhoudelijk ook van dit plan vindt, deze voortvarendheid siert Wiersma. Hij is de eerste minister in tijden die iets anders doet dan sussen, wegkijken en afschuiven als het om de dalende leerprestaties gaat. Hij beseft dat hij als minister de verantwoordelijkheid draagt en er wél over gaat.

Zijn brief is, voor een overheidsdocument, een wonder van helderheid en leesbaarheid. ‘Om een baan te krijgen, moet je een goede sollicitatiebrief kunnen schrijven’, schrijft Wiersma. ‘Om je boodschappen te doen, moet je kunnen rekenen.’ Dat begrijpt iedereen. De toon is oprecht. Hij maakt zich ‘grote zorgen’ en ik geloof hem.

De brief roept ook vragen op, nog los van de discussie of burgerschap en digitale vaardigheden tot de basis behoren. Op veel punten is Wiersma’s plan nog vaag, of een beetje naïef.

In de eerste plaats: wie zitten er in die teams en waar haal je die deskundigen vandaan? Het zijn geen mensen die ‘een plan de school in gooien’ dat de leraren moeten uitwerken, benadrukt hij. De schooldirecties en de lerarenteams mogen zelf zeggen waaraan ze behoefte hebben en waarvoor ze subsidie willen gebruiken.

Maar toch: wie zijn die experts en zitten de leraren op hen te wachten? Bij een hulpverlener bij pesten, of hulp bij administratie, de bibliotheek, sport of uitstapjes, zodat leraren zich aan hun kerntaak kunnen wijden, kun je je iets voorstellen. Maar juist de specialisten in rekenen en lezen, dat zijn toch de allerbeste leraren en remedial teachers? Hoe vind je die, zonder ze aan het onderwijs zelf te onttrekken en het lerarentekort te vergroten? Als het goed is, zitten alle beschikbare topdocenten, dankzij het vele NPO-geld om corona-achterstanden weg te werken, nu toch al op de scholen?

Er is structureel 1 miljard euro beschikbaar voor hulp. Schoolbegeleidingsdiensten, die ooit namens de overheid deze hulp boden, zijn wegbezuinigd of verzelfstandigd. Hoe voorkom je dat expertise, net zoals bij NPO (Nationaal Programma Onderwijs), bij commerciële bureaus wordt ingehuurd, zodat zonder kwaliteitscontrole winst wordt gemaakt met overheidsgeld?

Meer heikele kwesties staan niet in deze brief. Wiersma wil scherper toezicht van de Onderwijsinspectie. Ja, graag! Maar hoe bereikt hij dat de toezichthouder meer doet dan geschokt rapporteren dat het wéér slechter gaat? Komen ze vaker op bezoek? Worden goede scholen een voorbeeld voor zwakke? Mogen schoolbesturen geen onbevoegden meer voor de klas zetten? Worden zwakke scholen gesloten, zwakke leraren op bijscholing gestuurd?

Echte kwaliteitsverbetering kan alleen vanuit het onderwijs zelf komen. Wiersma rept met geen woord over het niveau van de pabo’s en tweedegraadslerarenopleidingen. Dat moet omhoog, niet omlaag. Iedereen die voor de klas komt moet zelf de basisvaardigheden op een superieur niveau beheersen en effectief kunnen onderwijzen. Ook zou het ministerie moeten ingrijpen op scholen die propageren dat andere vaardigheden veel belangrijker zijn en die experimenteren met kinderen, met onbewezen onderwijstheorieën en -concepten. Dat vergt lef. Hopelijk heeft Wiersma dat.

Meer over