Een tijd van ontwaarding aller waarden

En daar gaat het laatste afgodsbeeld uit de basiliek van de illusies aan gruzelementen. De Italiaanse kranten berichtten gisteren, op een toon waarin ongeloof streed met ontgoocheling, over de bekering, op zijn sterfbed, van Antonio Gramsci (1891-1937).

De emeritus-aartsbisschop van de Romeinse curie Luigi De Magistris is degene die het wonder wereldkundig maakte; het kerkelijk ambtsgeheim is kennelijk ook al niet meer wat het eeuwenlang geacht werd te zijn. ‘Gramsci is gestorven voorzien van de laatste sacramenten’, vertelde hij bij de presentatie van zijn catalogus van immagini sacre.

Let op de meesterlijke ironie van de gelegenheid: een catalogus van heiligenbeelden presenteren en dan iemand anders zijn heiligenbeeld van zijn sokkel trekken.
Hoe leg ik mijn neefje Ruben (12) en de kinderen (tussen de 5 en de 20) van mijn vrienden Maarten en Sigrid uit wat de ware portée van dit bericht is?

Antonio Gramsci, kinderen, was een van de stichters van de Italiaanse communistische partij, die halverwege de jaren twintig van de vorige eeuw werd gearresteerd wegens zijn oppositie tegen het Italiaanse fascisme. Hij stierf in het gevangenishospitaal en zijn in hechtenis volgeschreven geschriften werden later uitgegeven en golden als een meesterwerk. ‘Briljante analyses in de geest van Marx’, heetten die, en zij zijn ook in Nederland ooit verplichte literatuur geweest.

Communistische partij? Oppositie? Analyse? Verplichte literatuur?

Dertig jaar geleden, toen ik filosofie studeerde, moest je een vak volgen dat ‘dialectische methoden’ heette. Dat de wijsgerige dialectiek, die terugging op het werk van de filosofen Hegel en Marx, zich er nu juist door kenmerkte al te methodisch te zijn en met geen enkel ontzag voor tegenargumenten te werk ging, deed niet terzake. Wij werden verondersteld tamelijk verwarde boeken van Friedrich Engels over natuurkunde te lezen, boeken die al bespottelijk waren toen zij in het derde kwart van de 19de eeuw het licht zagen – en eveneens die gevangenisgeschriften van Gramsci.

Nu ja, het waren de jaren waarin de geleerde leiding van het Filosofisch Instituut te Groningen – want daar was het – er bij de studenten op aandrong ten behoeve van hun academische wijsgerige vorming een stage te lopen in een strokartonfabriek in het oosten van de provincie. Het helpt, een geheugen, bij het relativeren van modes in weldenkend Nederland. Nog geen decennium later, halverwege de jaren tachtig, zijn al die hoofddocenten communisme zich als de wiedeweerga op de filosofische finesses van het postmodernisme gaan storten.

Ich kenne die Weise, ich kenne den Text’, schreef Heinrich Heine, tijdgenoot van Hegel en Marx, ‘Ich kenne auch die Herren Verfasser;/ Ich weiß, sie tranken heimlich Wein/ Und predigten öffentlich Wasser.

Het helpt, kinderen, zo nu en dan eens iets verstandigs uit je hoofd leren.

Gramsci was een held, ja, een heilige, in de ogen van de toonaangevende filosofen van toen, de man die zich in zijn eentje teweer had gesteld tegen Benito Mussolini – en tegen de corrupte en collaborerende clerus. En dat in het zwaar rooms-katholieke Italië. Zijn briljante analyses konden wij goed gebruiken om Joop den Uyl en Dries van Agt op waarde te schatten. Het was als levertraan tegen het revisionistische socialisme en al helemaal tegen het christendom.

Gramsci heeft, beweert De Magistris nu, op zijn terminale ziekbed een zuster verzocht hem een afbeelding van het kindeke Jezus aan te reiken, opdat hij dat zou kunnen kussen. Boven zijn bed hing niet alleen een kruisbeeld, het stoffelijk overschot van de verlosser er nog aan (dat is in Italië onvermijdelijk), maar ook een afbeelding van de Heilige Theresa van het kindeke Jezus, omtrent wier specifieke verdiensten ik helaas in het duister tast.

Toen de zuster rondging met dat prentje en Gramsci passeerde vroeg hij haar waarom hij geen beurt kreeg. Even later, toen zijn laatste uur geslagen had, zijn hem de laatste sacramenten toegediend. ‘Hij is’, zei de serene De Magistris, ‘teruggekeerd naar het geloof van zijn kindertijd.’

Dat is schrikken.

Kijk, dat de Italiaanse schrijver Curzio Malaparte (1898-1957), tijdgenoot van Gramsci, op zijn sterfbed doodgemoedereerd om een priester vroeg, is niks bijzonders. Die had van fascisme naar communisme geschakeld zoals een ander met de afstandsbediening in de hand van het ene naar het andere televisienet floept. (Alleen daarom al kun je van hem, als student filosofie, meer leren dan van Gramsci. Maar dat inzicht kon je indertijd in Groningen beter voor je houden.)

Maar Gramsci!

We gaan nog beleven dat bekend wordt hoe hij in zijn laatste dagen het neoliberalisme heeft omhelsd. Tegen die tijd heeft Silvio Berlusconi er al voor gezorgd dat zijn verzamelde werken bij een van zijn uitgeverijen in een handzame editie verschenen zijn, ja, dat op een van zijn televisiezenders zijn vie romancée als serie op prime time is uitgezonden. Het is een tijd van ontwaarding aller waarden, de onze: de bankiers bedelen om staatssteun, de politici die gisteren nog pleitbezorgers waren van het vrije spel der economische krachten delen als bezeten miljarden uit aan ondernemers zonder er iets voor terug te vragen – en Gramsci was een vrome katholiek.

Soms krijg je warempel te doen met de voormalige opgewonden leiders van de studentenbeweging in Groningen en Nijmegen en de inmiddels bejaarde docenten dialectische methoden: waren zij ten slotte comfortabel rechts geworden, is het weer niet goed.

Onwillekeurig dwalen de gedachten bij het verwerken van het Gramsci-nieuws af naar die andere filosoof die een priester aan zijn sterfbed kreeg, Voltaire. ‘Laissez moi mourir en paix’, voegde hij de zwartrok toe, ‘laat mij in vrede sterven’.

En stierf, in vrede.

Voltaire was trouwens ook een beduidend betere stilist dan Gramsci – en een briljanter analyticus.

Meer over