Opinie

'Een socialer Europa is bittere noodzaak'

Een socialer Europa is een wensbeeld van socialistische politici, betoogde VVD-Kamerlid Mark Verheijen vorige week. Onzin, schrijft PvdA-Kamerlid Michiel Servaes. De discussie over een sociale Unie is al lang gaande.

Premier Rutte en zijn Ierse ambtsgenoot Kelly in Brussel, vorige week. Beeld epa
Premier Rutte en zijn Ierse ambtsgenoot Kelly in Brussel, vorige week.Beeld epa

Eind vorige week presenteerde het kabinet de door de Kamer gevraagde visie op de sociale dimensie van de Europese Unie. Direct erna verscheen op de website van de Volkskrant een opiniestuk van mijn VVD-collega Mark Verheijen. De liberaal zet het streven naar een socialer Europa weg als een 'fopspeen van socialistische politici'. Het ronkende betoog is doorspekt met simplificaties en overdrijvingen. Verheijen mist hierdoor helaas het centrale punt, namelijk dat een socialer EU niet alleen wenselijk en noodzakelijk is, maar dat de discussie over een koerswijziging in Europa allang gaande is.

Eerst maar eens een misverstand uit de weg ruimen. Mijn partij pleit niet voor het optuigen van een sociaal zekerheidsstelsel op Europees niveau. Natuurlijk zijn uitkeringen, pensioenen en het functioneren van de arbeidsmarkt in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van nationale regeringen en sociale partners. Ook zullen er voorlopig nog wel verschillen in welvaart tussen landen blijven bestaan. Die verscheidenheid in de EU vraagt om maatwerk, niet om een sociale eenheidsworst. Het schrikbeeldals zou een socialer Europa gelijk staan aan 'alle akkers rondom Brusselbebouwen met glazen gebouwen vol ambtenaren' is dus onzinnig.

Forse stappen
Dat neemt niet weg dat de financiële crisis duidelijk heeft aangetoond hoezeer de economieën van de lidstaten met elkaar vervlochten zijn, vooral in de eurozone. Met dat besef in gedachten zijn de afgelopen jarenforse stappen gezet naar verdere integratie. Begrotingsnormen zijn aangescherpt, terwijl economische voornemens voortaan worden getoetst door de Europese Commissie. Door dit gemeenschappelijke optreden, ondersteund door het noodfonds en de ECB, zijn aanvallen van de financiële markten afgeslagen en lijkt de muntunie sinds kort eindelijk in wat rustiger vaarwater terecht gekomen.

Wie beter kijkt, ziet echter de sporen die jaren van crisisbeleid hebben achtergelaten. Bijna twee op drie Griekse jongeren zit inmiddels zonder baan. In andere Zuid-Europese landen is dat ruim de helft. In totaal zijn in de eurozone zo'n 19 miljoen mensen op zoek naar werk, waarvan een kwart jonger dan 25 jaar is. Als gevolg van bezuinigingen staat in sommige landen de toegang tot publieke diensten onder druk. Het meest schrijnende voorbeeld zijn de ziekenhuizen die met tekorten aan medicijnen kampen. Na decennia van vooruitgang lopen steeds meer mensen het risico in armoede te vervallen.

Of en in welke mate wij bereid zijn solidariteit op te brengen met mensen in 'de periferie' zal verschillen per politieke stroming. Maar ook politici die zich vooral op markt en munt richten, moeten beseffen dat hoge werkloosheid economisch gezien geen geïsoleerd fenomeen is. Het leidt tot vraaguitval, tot druk op publieke financiën en tot aantasting van het groeipotentieel van landen. Van jeugdwerkloosheid is bovendien bekend dat die effecten ook op de langere termijn voelbaar blijven.

Vertrouwen
Wat de situatie extra zorgelijk maakt is dat als gevolg van de crisis jongeren het vertrouwen in de sociaaleconomische en politieke systemen dreigen te verliezen. Traditionele politieke partijen zien hun steun snel afbrokkelen, terwijl populisten en extremisten de wind in de zeilen hebben. Zeker in landen waar de parlementaire democratie nog maar relatief kort wortel heeft geschoten, moeten de risico's voor politieke (en dus ook voor economische) stabiliteit niet onderschat worden. Logisch dus dat de roep om een koerswijziging in Europa toeneemt.

Het meest urgente issue dat om actie vraagt is zonder meer de jeugdwerkloosheid. Het risico op een verloren generatie is uitgegroeid tot een Europees probleem waarvoor een gecoördineerde aanpak is vereist. Dat besef is ook tot Berlijn en Parijs doorgedrongen. Deze week presenteren Duitsland en Frankrijk een 'New Deal for Europe' die voorziet in een programma onder regie van de Europese Investeringsbank. Zo'n 60 miljard euro moet beschikbaar komen voor onder meer (om-)scholing en werkervaringsplekken. Details moeten afgewacht worden, maar het is duidelijk dat het thema jeugdwerkloosheid bovenaan de agenda staat, getuige ook de brief die Van Rompuy afgelopen weekend naar EU-leiders stuurde.

Een tweede aandachtspunt is de balans terugbrengen in de wijze waarop de eurocrisis bestreden wordt. In de techniek van het nieuwe Europese Semester worden landen wel beoordeeld op hun schuld en eventuele macro-economische onevenwichtigheden (huizenbubbels e.d.), maar niet op zaken als een plotselinge daling van koopkracht of een stijging van inkomensverschillen. Dat is vreemd, want de ontwrichtende werking van deze sociaaleconomische factoren is minstens zo groot. Dat de huidige systematiek knelt, blijkt wel uit de wijze waarop de Commissie nu worstelt met uitstel en boetes. Tijd dus om een beter evenwicht tussen financiële, economische én sociale criteria in de EMU te creëren. Naar verluid zal een voorstel voor een 'employment and social scorecard' zeer binnenkort verschijnen, een bijstelling waar de PvdA al langer voor pleit.

Structureel tegenwicht
Rest de vraag hoe ook structureel een tegenwicht georganiseerd kan worden tegen de krachten van de interne markt en het vrije verkeer. Het kabinet doet hier een aantal goede suggesties zoals het voorkomen van loondumping en het versterken van de rol van sociale partners op Europees niveau. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de ambitie wat mij betreft nog wel wat hoger had mogen liggen. Zo dreigt de strijd om het beste vestigingsklimaat te ontaarden in een 'race to the bottom' met een steeds grotere druk op sociale rechten en steeds lagere belastingen voor bedrijven. De enige manier om die spiraal te doorbreken is het afspreken van minimumnormen en -tarieven. Het kabinet is op dit moment nog wat terughoudend op dit terrein, maar de recente discussie over de aanpak van belastingparadijzen laat zien hoe snel zaken kunnen veranderen.

Het mag duidelijk zijn: de agenda voor een socialer Europa is een fopspeen noch een fata morgana. Het is een concrete agenda, rationeel onderbouwd en volop in beweging. Het kabinet heeft met haar brief een prima aanzet gegeven voor het debat. Dat debat zal de komende tijd intensief gevoerd worden.

Michiel Servaes is Tweede Kamerlid namens de Partij van de Arbeid en voert namens die partij het woord over Europese zaken.

undefined

Meer over