Gastcolumn

Een schrijver die geld moet aanvragen om beter te leren spreken in het openbaar – het heeft iets schrijnends

Dichter Ellen Deckwitz tijdens een optreden in Breda.  Beeld ANP
Dichter Ellen Deckwitz tijdens een optreden in Breda.Beeld ANP

Als ik Facebook en Instagram mag geloven, staat er iedere avond wel ergens een schrijver, performer of kunstenaar op een podium. Want het mag weer, zolang het tenminste duurt. En dus kondigen creatieve professionals massaal hun naderende optredens aan. Ze hebben het gemist, schrijven ze er ook bij, soms zelfs zozeer dat ze exact de datum memoreren waarop ze voor het laatst voor een live publiek stonden. Wie geeft ze ongelijk?

In de literaire wereld zijn zulke optredens van groot belang, zeker voor auteurs die van hun schrijfwerk proberen te leven. Van de royalties over verkochte boeken kunnen de meesten van hen immers nauwelijks een paar maanden huur betalen. En dus is die 350 euro voor een avondje voordragen meer dan welkom.

Schamel bedrag

Maar hoe schamel dat bedrag ook is, zelfs die paar honderd euro kan er voor sommige culturele organisaties niet vanaf. Een verbijsterend verhaal kwam deze week van de jonge dichter Elianne van Elderen, zojuist afgestudeerd aan ArtEZ op een verrassend originele poëziebundel, en met meer dan drieduizend Instagramvolgers bepaald geen onbekende in het wereldje.

Ze meldde dat ze, waarschijnlijk per ongeluk, was toegevoegd aan een mailconversatie ‘waarin mensen die me vragen voor een optreden eerst een aannemelijk bedrag voorstellen en daarna tegen elkaar zeggen dat ik pas net afgestudeerd ben dus als er geen budget meer over is dat ook prima is’. Nou, dat is dus niet prima – en dat weet die organisatie in kwestie ook wel. Maar als de budgetten zo klein zijn dat optredende artiesten noodgedwongen een sluitpost worden, dan wordt blijkbaar zelfs de grootste cultuurbevorderaar een knieperd.

Zeker voor jonge schrijvers is dit systeem ronduit pervers. Om een netwerk en een reputatie op te bouwen, moet je jezelf immers wel laten zien – zelfs als er een hongerloon of niet eens een fooi tegenover staat. Ik heb studenten creative writing horen zeggen dat ze urenlang hadden geschaafd aan een performance die niet meer opleverde dan een symbolische boekenbon.

Geen marktwaarde

Dat ze ook na het behalen van hun diploma geen marktwaarde blijken te hebben, onderstreept hoe weinig Nederland overheeft voor talenten in de culturele sector. Wie als startende schrijver bij het Nederlands Letterenfonds een projectbeurs aanvraagt voor het schrijven van een tweede boek, krijgt maximaal 11.000 euro – minder dan 11 maanden bijstand. Een zogenaamde ontwikkelbeurs levert hoogstens 2.500 euro op.

Zoals dat gaat met uitzonderingen, zijn er altijd talenten die zich opmerkelijk goed aan dit barre ecosysteem weten aan te passen. Zo is dichter Ellen Deckwitz inmiddels uitgegroeid van performancewondertwintiger tot literair auteur van wie de waarde zich ook uitstekend in geld laat uitdrukken. Al op de omslag van haar debuutbundel De steen vreest mij (2011) kon de koper lezen dat Deckwitz van haar poëzie kon leven – een gegeven dat in de poëziewereld op zichzelf net zo uniek is als het vermelden ervan. Dat ‘leven’ zat hem natuurlijk niet in de verkoopcijfers van haar werk, maar in de talloze optredens en workshops die Deckwitz toen al verzorgde.

Niet elke schrijver is echter mondig zonder toetsenbord, en niet elke schrijver heeft – zoals Deckwitz – het vermogen een groep pubers te boeien in een gastles over literatuur. In tijden van cultureel ondernemerschap is het vinden van de eigen stem voor de meeste auteurs echter letterlijker geworden dan ooit tevoren.

Algemene vaardigheden

Wie de eerder genoemde ontwikkelbeurs van het Letterenfonds aanvraagt, kan het geld bijvoorbeeld gebruiken voor ‘algemene professionele vaardigheden of kennis gerelateerd aan het kunstenaarschap’. In de praktijk betekent dit onder andere: ‘onderhandelingstechnieken, spreken in het openbaar, gebruik van sociale media’.

Een schrijver die geld moet aanvragen om beter te leren spreken in het openbaar – het heeft toch wel iets schrijnends. Als de middelen in de culturele sector zo schaars zijn dat jonge talenten niet eens vergoed kunnen worden voor hun werk, dan lijkt zo’n coachingstraject mij niet de juiste prioriteit. Fundamenteler is natuurlijk dat ook die ontwikkelbeurzen slechts een druppel op een gloeiende plaat zijn, een hopeloze poging om auteurs toe te rusten op een wereld waarin zij moeten schrapen wat er nog te schrapen valt.

Gelukkig had onze overheid recentelijk een meevaller toen Dille & Kamille – waar je de favoriete versjes van Arie en Romy Boomsma kunt kopen – aankondigde tonnen aan noodsteun terug te betalen. Laten we die middelen nu eindelijk eens gebruiken om een impuls aan onze cultuursector te geven. Ik ken nog wel wat gegadigden.

Jeroen Dera is universitair docent Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij is in juli gastcolumnist op volkskrant.nl/opinie.

Jeroen Dera Beeld
Jeroen Dera
Meer over