ColumnDirk Poetst

Een praktische mop. Wat een verademing na die immens populaire, gebleekte Ruud Gullit-pruiken

Dirk Meuleman

Boekverkoper Dirk Meuleman (63) schrijft voor de Volkskrant een tiendelige reeks over zijn ervaringen als invalkracht in de thuiszorg.

null Beeld Annabel Miedema
Beeld Annabel Miedema

Op een zonnige ochtend wip ik binnen bij het kantoor van de zorgorganisatie. Ik maak een praatje met de dames van de planning en hoor dat mijn werk naar tevredenheid is. Zelfs meneer K. had gesuggereerd mij te bellen, toen zijn vaste hulp wederom ziek bleek: we zien elkaar overmorgen weer.

Ik kom inmiddels goed beslagen ten ijs. Tot mijn vaste uitrusting behoren een eigen keukenrol en doekjes. Betreft het een nieuwe cliënt, dan neem ik ook mijn pantoffels mee. Bij een van de eerste opdrachten was mij vriendelijk verzocht mijn schoenen uit te doen en ik had bij het dweilen natte voeten opgelopen.

Niettemin staan er op mijn nieuwe werkbriefje voor deze maand slechts twee afspraken. Ik vraag hoe dit mogelijk is. De zorgorganisatie had toch juist mensen nodig? Het blijkt dat de gemeente het mes in de thuiszorg heeft gezet. Alleen in ‘schrijnende situaties’ mogen nieuwe klanten worden aangenomen. Voor de rest is er een wachtlijst.

Dat heb ik weer: wil ik een bescheiden bijdrage leveren aan de maatschappij, wordt dat van hogerhand gefrustreerd. Even overweeg ik een stille protestmars met emmer en bezem, maar protesteren is mij momenteel net iets te populair.

Een paar dagen later komt er verheugend nieuws: ik krijg mijn eerste vaste cliënt toegewezen. Weliswaar mag ik er slechts eens in de twee weken werken, maar toch. Het gaat om drie uur schoonmaken en begeleiden.

Als ik bij mijn vaste mevrouw van 79 aan de schoonmaak begin, hebben we bijna een uur zitten kletsen. Het klikt. We vinden elkaar in een grote liefde voor kunst en boeken, en in een kritische kijk op de maatschappij. Ik zit na ons gesprek bomvol energie. Dan maak ik de keukenkast open en constateer dat mevrouw ook nog eens beschikt over het beste materiaal tot nu toe. Ik beperk me hier tot het vermelden van frisruikende doekjes en een bijzonder praktische mop. Wat een verademing na die immens populaire, gebleekte Ruud Gullit-pruiken: vreselijk onhandig en niet droog te krijgen.

De woonkamervloer van mevrouw is voor het grootste gedeelte bedekt met een vintage zwart-wit vloerkleed. Ze is er erg aan gehecht. Ook ik ben onder de indruk van het eenvoudige en tegelijkertijd ijzersterke ontwerp. ‘Maar het is wel een hele klus om het schoon te krijgen’, legt ze uit. Mevrouw heeft last van haaruitval.

Dat laat ik me geen twee keer zeggen. Als een bezetene stort ik me op het kleed en weet het, met behulp van een handig rubberen borsteltje en de uitstekende stofzuiger, volledig haarvrij te krijgen. Als mevrouw mij aan het eind van mijn dienst nog een kop koffie aanbiedt, trek ik snel mijn trui aan; ik wil niet dat ze ziet hoe erg ik zweet.

‘Zo, jij maakt er wel werk van, zeg’, is haar reactie. Ik leg uit dat het om een ongevaarlijke afwijking gaat. ‘Dan is het goed, ik zou het naar vinden als je er onder zou bezwijken.’ Ze glimlacht. Voldaan kijken we vanuit onze stoelen naar het resultaat van mijn inspanningen.

Even later fiets ik opgewekt naar huis. Dat wordt wel wat, met mijn nieuwe mevrouw en haar kleed.

Meer over