ColumnSylvia Witteman

Een oude dame voor me draaide met rollator kwiek een halve slag, en sprak: ‘Toch is het een mooi land, Amerika...’

Ik stond weer eens in een lange rij voor de bakker. Het leek de Sovjet-Unie wel, al hadden ze daar indertijd geen meergranen-zuurdesemvloerbroden, kaascroissants of kaneelslofjes. Ik was een beetje duf van de lange, onbevredigende verkiezingsnacht. Slaperig luisterde ik naar een jong stel achter me, dat luidkeels en vol afschuw over Trump praatte. Dat doen veel mensen, de laatste tijd. Het helpt niets.

Een oude dame voor me draaide met rollator en al kwiek een halve slag, en sprak: ‘Toch is het een mooi land, Amerika...’ Het jonge stel gaf geen sjoege, dus keek ík haar maar eens bemoedigend aan. ‘Ik heb er gewoond, begin jaren zestig’, zei ze. ‘In Dallas. Dat was wat, hoor, voor een meisje uit de Kinkerstraat. Ik had een Amerikaan ontmoet in een kroeg op de Nieuwmarkt. Een leuke man. Voor ik het wist zat ik getrouwd en wel in Dallas. 22 was ik. Ik was een knappe meid, hoor...’

Ik glimlachte. Je kon het nog steeds wel zien. ‘Ik kwam daar in Luilekkerland terecht’, vervolgde ze. ‘Ik weet vooral die melk nog. Er waren automaten waar melk uit kwam, als je er een muntje in gooide. IJskoude, romige melk. Ach, wat vond ik dat verrukkelijk...’ Haar ogen werden vaag bij de herinnering.

‘Een mooie auto had ik ook’, mijmerde ze. ‘Die was een soort poederblauw dat je nu nooit meer ziet. Ik had een jas in dezelfde kleur. Zo chic... en iedereen was zo aardig... Ik had een buurvrouwtje, zowat even oud als ik. We hadden zo’n lol samen... en toen werd Kenny vermoord. Wat hébben we gejankt...’ Ik zag haar voor me, 57 jaar jonger, huilend, in die poederblauwe jas.

‘Toen Kennedy dood was, kwam Johnson’, ging ze voort. ‘Daar weet ik niks meer van. Ik had wel wat anders aan mijn hoofd. Mijn man bleek toch niet zo leuk. Hij zoop te veel en dan werd-ie chagrijnig. En hij was ook nog 15 jaar ouder, hè. Ik ging me vervelen. Ik kreeg heimwee. Mijn buurvrouw was toen al verhuisd. Ik weet niet waarheen. Amerika is zo groot...’

Ze schudde het hoofd. ‘De scheiding was een makkie’, zei ze. ‘Zowat alles was een makkie daar. Voor ik het wist, zat ik weer in Amsterdam. Ik was nog steeds een jonge, knappe meid. Ik was die man gauw vergeten. Ik weet amper meer hoe hij eruitzag. Ja, hij was lang, en hij heette Frank.’ Ze lachte.

‘Het is zó lang geleden’, sprak ze. ‘Het is allemaal een beetje weggezakt. Maar aan die melk denk ik nog vaak. Zo romig, zo ijskoud... zálig. De rillingen liepen je over de rug.’ 

Meer over