Een man in Artis had de ziekte van André van Duin

Op zaterdag, vijf over half drie, veranderde ik in Artis in Wolfman.

null Beeld
Beeld

Ik was dit weekeinde in dierentuin Artis en stond naar een alleenstaande vader te kijken. Het was een wolf. Niet lang voor mijn bezoek aan de dierentuin was de moeder plotseling gestorven. Daar stond ik, voor een witte wolf, en om hem heen cirkelden allemaal jonge wolfjes zonder moeder. Ik knikte naar hem. Sterkte, ouwe pik.

Er kwamen een man en een vrouw naast mij staan. Ze hadden allebei hetzelfde windjack aan. Ook zij keken naar de wolfjes en de vader. Een van de wolfjes drukte zijn neus in de grond. De man naast mij zei, met een heel raar stemmetje: 'Zo mevrouw, dan gaan we eens even kijken waar dat gaslek zit.' De vrouw lachte.

Wat gebeurde hier? Die lieve mannenwolf zat nog midden in een gecompliceerd rouwproces. Ik gokte, als ik hem zo zag, dat hij in de fase zat waarin je het allemaal gewoon even niet meer weet. De wolf liep naar voren en legde zijn linker voorpoot even kort op een van de wolfjes. 'Zo, papa legt even lekker zijn voetjes op het bijzettafeltje', zei de man naast mij. Weer met dat rare stemmetje. De vrouw lachte.

Ik begreep opeens wat hier gebeurde. Die man had de ziekte van André van Duin. Hij deed net alsof die wolf kon praten en liet hem gekke dingen zeggen. Ik werd kwaad. Hier stond een wolf die een bodemloos bestaan leefde, vol verdriet, zorg en onbevredigd verlangen. Een wolf met allemaal onpeilbare gevoelens en vlak naast mij trok een pauper uit Castricum hem in onze benauwde, kleine mensenwereld.

De wolf keerde zich om en ik wachtte. 'Zo, papa gaat even naar de hoeren, doen jullie maar iets voor jezelf', zei de man. De vrouw lachte dit keer niet.

Op dat moment, zaterdag vijf over half drie, veranderde ik in Wolfman. Als een dier sloop ik achter het echtpaar aan en voedde mijn woede. De twee liepen naar de stokstaartjes. Ik ging naast ze staan. Een van de stokstaartjes ging in de overbekende houding staan. Turend naar eventueel gevaar. Dat ontroerde mij. Hij in dat hok, met een muurtje en een paar stenen - al jaren - en toch dacht hij nog elke dag dat een een concurrerende stam stokstaartjes zijn hok wilde annexeren. Het was zo vreselijk verdrietig en lief tegelijk.

'Ja hoor, ik zie hem, daar komt Sinterklaas', zei de man naast me. De vrouw lachte. Het stokstaartje dronk water uit een bakje. 'Geen witbier had ik verdomme gezegd, domme muts', zei de man.

Ik heb gewacht tot het hok van de pinguïns. De man gooide een papieren zakdoek in een vuilnisbak. Ik zei, met mijn gekste stemmetje: 'Zo, papa is gelukkig onvruchtbaar, kan hij zijn zaad gewoon in de vuilnisbak gooien.' De man keek mij aan. Ik zei: 'Hé, waar zijn mijn hersens nou. Die zaten toch in een tas van de Digros? Muts, weet jij waar mijn hersens zijn? Heb jij die weer weggegooid? Nee toch?'

De vrouw kwam nu naast hem staan. Samen keken zij mij aan. Ik verdraaide mijn stem nog iets gekker en zei: 'Als we allebei hetzelfde jack aandoen is het net alsof we nog van elkaar houden, maar straks, in de auto, zeggen we niets tegen elkaar. Wij haten elkaar. Al zo lang. We wachten geduldig tot de ander sterft.'

Meer over