Column

Een leugentje om bestwil in de thuiszorg: ‘Dit heeft mijn vrouw voor u gebakken’

null Beeld
Thomas Van Der Meer

‘Ik heb iets nodig wat eruitziet alsof ik het zelf zou kunnen hebben gebakken’, zeg ik tegen de bakker.

‘Moet je indruk maken op je schoonmoeder?’, vraagt hij.

‘Zoiets, ja.’

De bakker vouwt zijn handen op zijn bolle buik en kijkt me onderzoekend aan; hij probeert in te schatten tot welk niveau van banket ik in staat ben. Daarna glijdt zijn blik langs de petitfours, vruchtenschelpen, slagroomtaarten, frambozenbollen en bananensoezen in de vitrine.

‘Neem deze maar’, zegt hij, en hij pakt een zak speculaasbrokken uit een mand die op de toonbank staat.

‘Mag het íéts geavanceerder?’

‘Appelkanjers. Dat zijn koeken van bladerdeeg, gevuld met appel en abrikoos. Ook niet moeilijk.’

Ik zet een tupperwarebakje op de toonbank. Als ik aankom met een doos van de bakker heeft het immers geen zin.

Vandaag val ik in voor mijn collega in de thuiszorg. Met de appelkanjers in mijn rugzak fiets ik naar de wijk waar ik moet werken, daar staan flats waar vooral mensen uit Turkije en Marokko wonen. De adressen op mijn lijstje ken ik al – deze thuiszorgroute heb ik al vaak afgelegd.

Eerst moet ik naar meneer Çelik (68). Meneer Çelik heeft parkinson. Bovenaan de trap staat mevrouw Çelik (67) me al op te wachten met een volle vuilniszak en het pasje van de ondergrondse container. Ik sjouw de vuilniszak naar de straat, gooi hem in de container en ga de flat weer in. Voor de deur van meneer en mevrouw Çelik doe ik plastic hoesjes om mijn schoenen, anders mag ik niet naar binnen.

Meneer Çelik ligt nog in bed.

‘Komt u uit bed? Wilt u douchen?’

Hij kijkt nors en schudt zijn hoofd. ‘Niet douchen.’

Mevrouw Çelik staat in de keuken, maar heeft ons wel gehoord. Ze beent de kamer binnen, gaat met haar handen in de zij naast het bed staan en praat op kwade toon tegen haar man. Ik versta er niets van, maar weet wel hoe laat het is.

‘Toch douchen?’, vraag ik aan meneer Çelik. Hij kijkt me mistroostig aan en knikt. Ik help hem overeind.

Meneer en mevrouw Çelik wonen hier al veertig jaar, maar doen veel dingen nog steeds zoals ze die op het Turkse platteland deden. Een douchebeurt houdt in dat ik meneer Çelik inzeep en een emmer water over zijn hoofd kieper.

Toen ik voor het eerst bij meneer en mevrouw Çelik kwam, vroeg hij: ‘Jij getrouwd?’

‘Ja.’

‘Kind?’

‘Ja.’

‘Jouw vrouw bij kind?’

‘Ja.’

‘Goed.’

Mijn collega zei: ‘Je moet gewoon zeggen dat je homo bent. Zij zijn afhankelijk van jou, niet andersom.’

In het verpleeghuis vertelde een collega dat ze had moeten praten als Brugman om mevrouw Van der Kaaij (86) te mogen helpen met wassen en aankleden. Mevrouw Van der Kaaij wil niet worden geholpen door zwarte medewerkers.

‘De volgende keer moet je gewoon weggaan’, zei een andere collega tegen haar. ‘Ze moeten je met respect behandelen en het is hun probleem als jij niet helpt. Zo simpel is het.’

Even later liep ik met mijn zwarte collega over de gang. ‘Alsof het echt zo simpel is’, zei ze, en ze begon te huilen. Dat begreep ik wel. Het is de achteloosheid waarmee mensen zeggen wat je gewoon zou moeten doen.

Soms draagt mevrouw Çelik geen hoofddoek als ik er ben, maar alleen als haar man het niet ziet. Ze let er ook op dat hij niet ziet dat ze me eten toestopt – fruit, nootjes, een opgerolde pannenkoek in aluminiumfolie – anders wordt hij jaloers. Eerst dacht ik dat hij jaloers was op mij als ze dat deed, maar later ontdekte ik dat hij jaloers is op haar: hij wil dat zij het eten aan hem geeft, zodat hij het aan mij kan geven.

Het wordt in elk geval hoog tijd eens iets terug te geven. Ik zet het tupperwarebakje op tafel en haal het deksel eraf. Meneer en mevrouw Çelik kijken me stralend aan.

‘Dit heeft mijn vrouw voor u gebakken’, zeg ik.

Thomas van der Meer is schrijver en werkt in een verpleeghuis. De namen in deze column zijn gefingeerd.