GastcolumnTim ’S Jongers

Een land met dakloze mensen is een land in armoede

null Beeld Myrthe Lenselink
Beeld Myrthe Lenselink
Tim 'S Jongers

Hoera! Na een decennium waarin het aantal ‘daklozen’ is verdubbeld, lijkt de daling ingezet. Waren er in Nederland in 2018 nog 39 duizend ‘daklozen’, in 2021 stopte de teller van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) op 32 duizend. Dat is winst, zou je denken. Ikzelf sta er wat anders in. Volgens mijn bescheiden inschatting, zijn er ruim 60 duizend ‘daklozen’ meer in dit land. En het zijn net mensen.

Ondanks de ogenschijnlijke daling, wijst de praktijk uit dat de vraag naar opvangvoorzieningen toeneemt. Pittig detail: alvorens je daar aanklopt, ben je vaak al twee jaar feitelijk dakloos en heb je de eigen mogelijkheden en sociaal netwerk dusdanig uitgeput dat er geen andere optie meer is. Juist dat plaatst de tellingen van het CBS in een heel ander licht.

Het CBS telt namelijk alleen de mensen die bekend zijn bij de opvanglocaties; de rest wordt geschat. Zij die onder de opvangradar blijven, zoals mensen die noodgedwongen op campings of in auto’s wonen, scholieren die structureel bij vriendjes slapen, meisjes en jongens die in ruil voor seks bij vreemden overnachten, maar ook jongeren onder de 18 en ouderen boven de 65 jaar en mensen zonder verblijfsstatus tellen letterlijk niet mee. Vandaar mijn lekeninschatting dat er veel meer ‘daklozen’ zijn dan het CBS meldt.

Volstromen

Een land met dakloze mensen is een land in armoede. Zonder dat we een vuiltje aan de lucht bemerkten, stroomden sinds 2010 de opvanglocaties vol en sliepen er alsmaar meer personen op plekken waar je zelf niet slapen wil. We keken ernaar en redeneerden de jarenlange stijging van het aantal dakloze mensen weg met het romantische ideaal van een zwerversbestaan of wierpen het in de vergeetput van de ‘eigen verantwoordelijkheid’.

Bedwelmd als we zijn van een meritocratische roes kon het niet anders dan dat daklozen óf ervoor kiezen óf het toch vooral aan zichzelf te danken hebben. We leefden immers in een hartstikke gaaf landje waarin we het met zijn allen zo goed geregeld hadden.

Toen staatssecretaris Blokhuis zich twee jaar geleden een hoedje schrok van de verdubbeling van het aantal daklozen, schoten de man en zijn ministerie in actie. Verschillende actieplannen zagen het licht en er werd geld vrijgemaakt, vanuit oprechte bezorgdheid trouwens. Stilaan begon in de ministeriële torens het besef te leven dat de groep dakloze mensen vele malen diverser is dan in ons geïnternaliseerde maatschappelijke beeld van overlast bezorgende junkies die portieken onveilig maken en hun rug naar de samenleving hebben gekeerd. Ga naar een nachtopvang en schrik van het aantal mensen dat op jou lijkt. En als je daar dan toch bent: adem de ochtendlucht in. Een verblijf daar wens je niemand toe.

Woningmarkt

De link tussen dakloosheid en huizen is snel gelegd. Daarom zou je verwachten dat we nu, met een woningmarkt die voor onze kinderen en naasten op slot zit, coulanter zijn naar dakloze mensen. Niets blijkt minder waar.

Geregeld verbaas ik me over de burgerlijke weerstand tegen de opening van nieuwe opvanglocaties, waarbij de vrees voor de exotische soort ‘daklozen’, omslaat in hysterie ter bescherming van de eigen voortuin. In die zin lopen de ministeriële torens voor op de samenleving. Want wij negeren blijkbaar nog steeds de realiteit dat de groep dakloze mensen niet langer voldoet aan het geïnternaliseerde maatschappijbeeld.

Dat is op zich een logisch gevolg van een onderschat aantal en het gebruik van termen als ‘daklozen’, ‘zelfredzame daklozen’ of ‘economisch daklozen’. Deze dehumaniseren en verhullen dat dakloze mensen doodeenzaam zijn, ziek worden van de stress en de stigmatisering en met krakende ruggen van bank tot bank hoppen.

Verder staan we erbij, kijken ernaar en tellen zij niet mee. Hoera!

Tim ’S Jongers is senior adviseur bij voor de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving en is auteur van het boek Gezichten van een onzeker bestaan. Hij schrijft gedurende de maand november een gastcolumn op persoonlijke titel. Foto Myrthe Lenselink

Meer over