ColumnEva en Eddy Posthuma de Boer

Een Boekenbal zonder drank is geen bal

null Beeld

Morgen is het lente en vanavond is het Boekenbal. Het thema behelst iets futuristisch, duikel ik op uit mijn herinnering. Ik zie radeloze balgasten dolen door gangen die zijn omgetoverd tot buitenaardse tunnels. ‘Waar is godverdomme de bar!’, echoot het langs de planeten. ‘Van de aardbodem verdwenen!’, kaatst het terug. Ik zie Lee Towers met een gouden microfoon. Hij roept: ‘Alle gekheid op een stokje’, en begint Space Oddity van David Bowie te zingen. Dorstig, God, wat ben ik dorstig. Naast de trap waarop Van der Heijden en de weduwe Mulisch zich hebben gedrapeerd, zie ik een dichter in een slordige smoking houvast zoeken aan een statafel. ‘Ik ben zo dronken’, murmelt hij. ‘Waar is de bar dan?’, roep ik in zijn oor. Maar in plaats van me de weg naar de bron van zijn dronkenschap te wijzen, zakt de dichter door zijn knieën en valt hij dramatischer dan dramatisch, met medeneming van de statafel, neer op het rode tapijt. Een moment gaan zijn ogen verbaasd open, dan kotst hij, kort en krachtig, op datzelfde rode tapijt. Ten slotte vouwt hij zijn lichaam in een behaaglijk rolletje.

Ik zie twee bewakers die lucht van de kots hebben gekregen zich hardhandig op de dichter storten om hem ‘uit het pand te verwijderen’. Mijn dichtershart breekt, het tafereel is me al met al net iets te mensonterend. Dus ik plaats mijn hoge hakken tussen de bewakers en de dichter en zeg dat ik het wel zal regelen, met mijn vriend. En dat het ons enorm spijt van het tapijt. ‘Nu moet je wel effe meewerken’, fluister ik de dichter toe. En waarachtig, hij krabbelt op, en met zijn arm in de mijne gehaakt, begeven we ons naar de uitgang. Dat klinkt vlot, dat is het niet. Maar we komen er. In de buitenlucht, die de op handen zijnde lente bepaald nog niet omarmt en ons nat en koud in het gezicht slaat, vraag ik de dichter of hij een taxi neemt. Hij knikt mismoedig. ‘Wat ben ik toch een lul.’ En met die lispelende woorden wankelt hij richting de taxistandplaats op het Leidsebosje.

De Kring, 1964. Beeld Eddy Posthuma de Boer
De Kring, 1964.Beeld Eddy Posthuma de Boer

Nog immer dorstig vervolg ik mijn dwaaltocht door de schouwburg. Onderweg ontmoet ik lotgenoten; saamhorigheid maakt zich van ons meester. Een bal zonder drank is geen bal! De eeuw van de betutteling is een feit, we gaan naar De Kring! Uitgelaten steken we het Leidseplein over en rennen we de trap van de kunstenaarssociëteit op, waar we allemaal binnen mogen, lidmaatschap of niet. En daar, aan de bar, staat de dichter, die zijn weg naar de taxi kennelijk heeft omgebogen om hier aan een nieuwe ronde te beginnen. Hij kijkt me glazig aan, weet allang van geen Boekenbal meer. Maar hij heft zijn whiskyglas en ketst het tegen het mijne, mijn vriend.

Meer over