Columnmax pam

Ed van Thijn en zijn bewonderaar

null Beeld
Max Pam

Als stadschroniqueur van de lokale zender AT5 en als columnist van de Amsterdamse krant Het Parool heb ik altijd een speciale relatie onderhouden met Ed van Thijn, die deze week op 87-jarige leeftijd is overleden. Regelmatig kwam ik hem tegen bij allerlei gelegenheden en later, toen hij bij mij in de buurt kwam wonen, ook gewoon op straat. Wij maakten dan een praatje. Hij was een aardig en zachtmoedig mens, met een Joodse familiegeschiedenis om van in tranen uit te barsten.

Het probleem dat als een olifant tussen ons in liep, bestond eruit dat ik hem niet zo’n goede burgemeester van Amsterdam vond. Of hij het beter heeft gedaan in de landelijke politiek kan ik minder beoordelen, maar dat hij ‘een meesterstrateeg’ was, zoals NRC Handelsblad in de necrologie beweerde, waag ik ernstig te betwijfelen. Als Ed – zo noem ik hem maar – een strategisch plan had, liep het meestal in de soep. Op z’n best was hij als hij in een morele opwelling iets deed, bijvoorbeeld toen hij in 1984 – ondanks alle bedreigingen – zo moedig was om de Staatsliedenbuurt te bezoeken. Kantje boord dat hij niet door krakers in elkaar is geslagen.

Grootse politieke ideeën implodeerden meestal snel bij Ed. Zoals er van Van Mierlo’s ontploffingstheorie niets terecht is gekomen, zo heeft Eds verlangen naar polarisatie slechts opgeleverd dat zijn partij voor lang in de oppositie terechtkwam. Maar ook grootse plannen ontglipten hem als een vochtig stuk zeep. Denk maar aan zijn pogingen om in 1992 de Olympische Spelen naar Nederland te halen. Wij lagen in de laatste bocht aan het beste wiel, de grote Amerikaanse televisienetwerken waren helemaal op onze hand, IOC-leden bevestigden het allemaal: ‘Amsterdam was een heerlijke stad.’ Ten slotte kreeg Barcelona, zoals algemeen verwacht, de Spelen toegewezen en eindigde Amsterdam in de competitie der steden als laatste. Het elan waarmee Van Thijn de stad had willen veroveren – ‘ik zit hier in het kraaiennest!’ – plofte als een plumpudding in elkaar.

Het was niet altijd prettig hem te bekritiseren. Bij zijn voortijdig afscheid als burgemeester – hij werd door Den Haag geroepen – schreef ik een opiniestuk in NRC Handelsblad dat de veelzeggende kop droeg: ‘Van Thijn was even matig als Van Hall’. Ik wees op allerlei mislukte beleidsplannen, zoals het debacle met het autoreferendum. In Eds tijd werd de hoofdstad tevens volgestouwd met paaltjes, verkeersdrempels, vluchtheuvels en antiparkeerwallen, wat voor de journalist H.J.A. Hofland aanleiding was om te spreken over ‘de infantilisering van Amsterdam’. Ook stelde Hofland voor om de hondendrol als embleem op elke Amsterdamse politiepet aan te brengen, dit naar aanleiding van het negatieve reisadvies dat de gezamenlijke Amerikaanse toeristenbureaus voor Amsterdam hadden afgegeven vanwege het feit dat de stad zo smerig en onveilig was. Toen Adriaan van Dis in zijn tv-show de burgemeester voorlegde dat je op elke Amsterdamse straathoek in een hondendrol trapte, antwoordde Ed: ‘Ach, dat zijn maar details.’ Pas onder zijn opvolgers is Amsterdam verlost van het hondendrolimago.

Op mijn stuk kwamen vele ingezonden brieven. Ik herinner mij er twee. De eerste was van Geert Mak, die altijd graag even op de schoot van notabelen gaat zitten. Hij schreef dat de burgemeester ook maar een knechtje is van de gemeenteraad en dat je vooral niet moest denken dat Ed al die rotzooi eigenhandig in de grachten had gegooid. De tweede was van Richter Roegholt, groot kenner van de Amsterdamse geschiedenis. Hij merkte op dat Gijs van Hall, de Amsterdamse burgemeester tussen 1957 en 1967, helemaal niet zo zwak en matig is geweest. Het burgemeesterschap van Van Hall was door ongelukkige omstandigheden eerder ‘tragisch’ te noemen.

Over Van Thijn schreef Richter Roegholt niets…

In januari 1994 liet Ed zijn ‘hartstikke fijne stad’ achter zich, om de overleden minister Ien Dales op te volgen. Ook verlangde Wim Kok van hem dat hij de PvdA zou redden. Vijf maanden later stond Ed alweer buiten en bleek in het nieuwe kabinet-Kok geen plaats voor hem te zijn. Van Thijn krabde zich met een verbaasde blik op het achterhoofd, zoals alleen hij dat kon. En dan te bedenken dat Wim en Ed ooit de twee kroonprinsen waren van Joop den Uyl. De meesterstrateeg voorgoed afgeserveerd.

Hij was alweer bewindsman af, toen ik hem tegenkwam. Dit keer bij de onderdoorgang van het Rijksmuseum. Vanaf de fiets wenkte hij me en haalde een kleine enveloppe uit zijn binnenzak. Thuis maakte ik haar open. Op een stukje karton had hij als een selfie avant la lettre een foto van zijn eigen beeltenis geplakt. Erboven stond met de pen geschreven: ‘Voor mijn trouwe bewonderaar Max Pam, je Ed’. Tot op de dag van vandaag heb ik die foto bewaard, in warme herinnering.

null Beeld
Meer over