ColumnEva Hoeke

Door corona waren we nu wél ineens aan de goeie kant van de streep beland in het Dorp

null Beeld Aisha Zeijpveld
Beeld Aisha Zeijpveld

Na drie jaar in het Dorp maakt Eva Hoeke de balans op. Eén ding is in ieder geval mooi meegenomen: de lockdown heeft voor hen niet veel veranderd.

Drie jaar waren verstreken sinds we in het Dorp kwamen wonen.

Tussenstand: we waren nog steeds blij met het huis, we hadden nog steeds geen vrienden gemaakt (‘Dan moet die man van jou misschien eens wat aardiger gaan schrijven’), ik was nog steeds de oudste moeder op het schoolplein en de grap dat de lockdown voor ons geen probleem is omdat we hier al drie jaar in lockdown zitten was nog steeds geen grap.

Eén ding: door corona waren we nu wél ineens aan de goeie kant van de streep beland. ‘Je wil nu echt niet ergens driehoog-achter zitten’, mopperden stadse vrienden wanneer ze op bezoek kwamen, wat ineens veel vaker gebeurde. Met de vrijgezellen hadden we te doen. Met het gedwongen thuiswerken bewogen ze nu al maanden van hun bed naar hun eettafel en van de eettafel naar de bank, in ruimtes waarvan je nauwelijks zag waar het een begon en het ander eindigde. Eén vriendin had haar werkgever gesmeekt om toch te mogen komen werken, een halve dag was genoeg, daarmee herwon ze in ieder geval het geluk van het thuiskomen. Na een fles wijn kwam dan de vraag wat ze eigenlijk nog in een stad te zoeken hadden wanneer alles wat een stad tot een stad maakt dicht was, je woonde er tenslotte voor het decor, niet voor de ruimte, en op zulke momenten wisselden de Man en ik zelfgenoegzame blikken – hadden wij even mazzel in ons Dorp!

Wat er niet is hoeft ook niet dicht.

En: wát er was werd niet gemist.

Het café tegenover was het domein van vriendenteams, darters en doordrinkers, schouder aan schouder naast een bak zoute stengels, geen plek voor verzakte yuppenouders die elkaar willen verstaan. Alleen het gedempte rumoer op vrijdagavond, de korte flarden feestmuziek wanneer iemand naar buiten kwam voor een peuk, die me in ieder geval de illusie gaven dat er nog wat reuring was, dat miste ik. Voorgoed, waarschijnlijk: al voor corona had de eigenaar een burn-out gehad. Steeds vaker zag ik hem rondrijden in een personenbusje, mondkap op, bejaarden en gehandicapten achterin, immer gerade aus en dan weer op tijd terug voor Studio Sport, nee, die zagen we straks niet meer terug achter de tap.

Verder had corona alles ingewikkelder gemaakt wat toch al ingewikkeld was.

Mijn moeder, in maart nog vrolijk in quarantaine met opa Ben, de deur dicht voor bezoek, een dagelijkse stapel kranten op tafel en een doos wijn in de kelder, niet écht een beproeving, stond nu ineens zelf voor dichte deuren.

De Syrische eigenaar van Bab Touma, met goede moed gestart na een helletocht uit het moederland en het enige restaurant in de wijde omgeving met iets anders op het menu dan spareribs of carpaccio, was vrijwel meteen failliet gegaan. ‘Jammer, maar het kon beter’, schreef iemand onder het nieuwsbericht. ‘Eén keer gegeten, men sprak geen Nederlands en ook niet echt schoon te noemen.’ Na de bioscoop, waar we met vier vreemden naar The Painted Bird hadden zitten kijken, aten we nu maar afhaalpizza in de auto.

Het pand van de al maanden geleden vertrokken Blokker stond nog altijd leeg, de zoon van de buren had nog steeds geen betaalbare woning gevonden en bij de garages vonden we steeds vaker lachgaspatronen. De vraag was hoe de nieuwe werkelijkheid uit ging pakken bij de aanstaande verkiezingen. Bij de vorige was Forum voor Democratie in het Dorp de grootste geworden – wat gingen hun kiezers doen nu de boel daar ook al was ingestort? Bij de slager hoorden we ondertussen dat er binnenkort een Turkse bakker bij zou komen. ‘En er zítten al twee bakkers in het dorp.’

We besloten het als een teken te zien, nog even volhouden.

Meer over