Essay

Dierenliefde kan de mens verblinden

Dierenmishandeling kan gedijen als mensen beesten niet zien voor wat ze zijn: levende wezens die zowel op ons lijken als van ons verschillen. Maar beseffen we wel dat juist ook de liefde die we voor dieren voelen hen een kwelling kan zijn?

null Beeld Joren Joshua
Beeld Joren Joshua

Er bestaat een foto van mij als kleuter waarop ik met een grote grijns onze kat Felix bij de nek optil. Ik was dol op Felix, en toch wilde hij maar zelden met mij spelen. Nu snap ik wel waarom: het beest vreesde mijn liefde. In mijn enthousiasme maakte ik te weinig onderscheid tussen zijn leefwereld en de mijne. Ik lijfde hem in op een manier die hem kwelde.

Je zou kunnen zeggen dat deze vorm van dierenmishandeling bleek afsteekt bij de routineuze mishandeling van slachtdieren, en daar is dan weinig tegenin te brengen. Felix kende enkele hachelijke momenten, maar kreeg elke dag zijn brokjes en is een natuurlijke dood gestorven. Maar ik wil het hier over principes hebben, niet over proporties. En wel het principe dat dierenmishandeling gedijt als wij dieren niet zien voor wat ze zijn: levende wezens die zowel op ons lijken als van ons verschillen.

Luidkeels protest

Zo bezien kan dierenmishandeling twee vormen aannemen. De klassieke vorm, waarin dieren ‘toch niets beseffen’ en daarom bijvoorbeeld van hun baby’s beroofd kunnen worden. In de tweede vorm mishandelen we dieren door juist te weinig verschil te zien tussen dieren en onszelf. Klassieke dierenmishandeling bestaat nog volop, maar kan inmiddels op luidkeels protest van dierenliefhebbers rekenen en ook de wet stelt er paal en perk aan. Onze normen, wetten en regels zijn echter nog niet goed ingericht op die tweede, historisch nieuwere vorm – de vorm waarin precies onze liefde voor dieren hen een kwelling is. Daar moet verandering in komen. En dat zal ook gebeuren, want identificatie met dieren is de trend en de mensen die zich vereenzelvigen met dieren zullen gaan protesteren en regelgeving gaan afdwingen.

Op zichzelf vind ik de bereidheid om jezelf met dieren te identificeren prachtig. Het is een welkome correctie op een aanlegfout in de westerse filosofie, waarin wij mensen onszelf eeuwenlang hebben gedefinieerd door ons af te zetten tegen dieren. Wij hebben verstand, taal, zelfbewustzijn, besef van onze sterfelijkheid, et cetera, en zij niet, en daarom kunnen we met dieren doen wat we willen.

Sinds Darwin sijpelt het besef door dat die verschillen tussen mensen en dieren zo absoluut niet zijn. Op basis van wetenschappelijke studies kun je inmiddels lang volhouden dat sommige diersoorten wel degelijk tekenen vertonen van verstand, taal, emoties, zelfbewustzijn (noem maar op), en dat wij hoe dan ook uit dezelfde modder zijn gekropen. Dat hele zoek-de-verschillen-project wordt daarmee nogal ideologisch. Waarom is het zo belangrijk om een hard onderscheid te maken tussen mens en dier? Zou dat misschien zijn omdat we wel aanvoelen dat, zonder dat harde verschil, onze behandeling van dieren moreel wankelt? Ik denk het. Daarom vind ik grotere vereenzelviging met dieren – met het feit dat zij, net als wij, ademen en voelen en levensdrang hebben – een goede zaak. Dat besef leidt er namelijk meestal toe dat we dieren fatsoenlijker behandelen.

Maar die groeiende menselijke identificatie met dieren kan dieren dus ook tot last zijn. Sommige mensen behandelen hun hond of kat als een mini-mens. Ze trekken het beest kleertjes aan, vieren zijn verjaardag en bruiloft, laten hem mee-eten van de risotto en zijn boos als het zich niet ‘netjes’ of ‘sociaal’ gedraagt.

Getut met dieren

Dit getut met dieren is typisch voor onze tijd en contreien, en daar is een simpele verklaring voor: wij hebben dieren in huis gehaald. Tot begin 20ste eeuw waren katten eigenlijk altijd buiten en kwamen ook honden zelden binnen. Inmiddels woont in de helft van de Nederlandse huizen een gezelschapsdier. Groeiende welvaart heeft zeker aan dit historische novum bijgedragen, maar de belangrijkste oorzaak ligt waarschijnlijk in simpele technologische innovaties.

Hondenshampoos, vlooiendruppels en de in 1947 uitgevonden kattenbak hebben het samenleven met die voorheen ‘vieze’ dieren een stuk makkelijker gemaakt. Vanaf dat moment kwamen dieren onze intieme sfeer binnen – en het is onze onbewuste neiging om iedereen die bij ons in huis woont als familie te beschouwen. Onze houding tegenover zo’n dier verandert dan radicaal. Waar we vroeger een botje naar buiten gooiden voor de naamloze kat, krijgt Simba nu binnen scharrelvlees op haar eigen schaaltje.

Door al die aandacht en zorg is het leven van de meeste honden en katten er ongetwijfeld op vooruitgegaan. Maar liefde kan ook verblinden. Wanneer we een dier teveel als ‘één van ons’ gaan beschouwen, dreigt het gevaar van die historisch nieuwe vorm van dierenmishandeling. Bijvoorbeeld doordat we de neiging krijgen soorteigen gedrag van het dier te blokkeren. Een kat die onder het oog van de visite uitgebreid zijn aars likt, voelt ongemakkelijk – om nog maar te zwijgen van de gêne die optreedt als de hond zijn neus in het kruis van de visite duwt. Nee, mag niet! Tijdens het uitlaten moet de hond ‘gewoon doorlopen’ en wordt hij dus weggerukt bij de geursporen die zijn leefwereld betekenisvol maken. We verbieden die nieuwe huisgenoten om hun prooi ‘meedogenloos’ uit elkaar te rukken, of om in het openbaar seks hebben.

Neurotisch of apatisch gedrag

Nu is correctie van gedrag niet per definitie zielig; dat is de prijs die wij allemaal betalen voor samenleven. Maar als mensen dierlijk gedrag gaan blokkeren dat binnen hun eigen diersoort juist gezond, sociaal en assertief is, dan worden die dieren daar ongelukkig van, zo leiden gedragsbiologen af uit apatisch of neurotisch gedrag.

Het opdringen van onnatuurlijk gedrag kan net zo goed een kwelling zijn voor het dier. Geen hond wordt blij van de ‘delicate’ regenjasjes met bijpassend mutsjes die bij (bijvoorbeeld) AliExpress te bestellen zijn. Opgedrongen speelkameraadjes’ van de eigen soort kunnen voor stress zorgen bij dieren die graag solitair leven, zoals de meeste kattenrassen en sommige hamstersoorten. Een spiegelbeeldig probleem is het eenzaam opsluiten van dieren die juist graag in groepen leven, zoals konijnen, ratten, cavia’s en paarden.

Deze door mensen veroorzaakte dierenellende wordt dan ook nog eens op menselijke wijze opgelost. Zo groeit de markt voor dieren met geestelijke problemen. De cijfers zijn nog schaars, maar uit Amerikaans onderzoek bleek dit jaar dat het medicijngebruik door huisdieren met 13 procent was gestegen ten opzichte van 2019. Daaronder vallen ook kalmeringsmiddelen, die in 2017 in de VS al aan 8 procent van de honden en 6 procent van de katten werd voorgeschreven, meldde The Washington Post.

Honden die lusteloos en eenzaam hun dagen slijten, kunnen inmiddels hondenantidepressivum Clomicalm voorgeschreven krijgen. Nogal pervers, omdat de oorzaak van het meeste hondenverdriet zo duidelijk is: gebrek aan beweging en gezelschap. De remedie is daarmee ook evident, en die schuilt dus niet in een pil.

We overvoeren onze konijnen, cavia’s, vogels, katten en honden, waardoor die, net als wij, aan welvaartsziektes gaan lijden. Recente studies rapporteren overgewicht bij 40 tot 60 procent van de Nederlandse honden, tussen de 11 en 27 procent van de katten is obees, en de indruk leeft dat ook het aantal paarden met overgewicht toeneemt.

Kinderlijk uiterlijk

De menselijke impuls tot koesteren heeft er bovendien toe geleid dat fokkers zijn gaan selecteren op beesten met een ‘kinderlijk’ uiterlijk: kleine dieren met grote bolle ogen en korte snuitjes die spontaan vertedering opwekken. Maar kortsnuitige honden hebben vaak ademnood, en die schattige kleine hondjes hebben nogal eens last van een schedelafwijking die tot chronische hoofdpijn leidt. Sinds 2014 mag er wettelijk gelukkig niet meer gefokt worden op schadelijke uiterlijke kenmerken, maar een ander fokprobleem is met die wet nog niet verholpen: het fokken op karaktereigenschappen. Bij sommige mensen roept een trillend, kwetsbaar dier een zoete beschermingsimpuls op die ze kennelijk graag ervaren. Sommige fokkers bedienen die wens en fokken welbewust bange, angstige dieren. Daarmee maken ze zich wat mij betreft schuldig aan genetische dierenmishandeling.

Wat te doen tegen deze nieuwerwetse vormen van dierenmishandeling? Om te beginnen: de wet serieus nemen. Die verbiedt al meer dan een eeuw dierenmishandeling, en de onlangs aangenomen Wet Dieren erkent het recht van dieren op ‘natuurlijk gedrag’. Het uitdiepen en vooral ook handhaven van die wet is een voor de hand liggende weg om elk dierenleed te verlichten, dus ook het leed van dieren die teveel worden gedwongen in de mal van een mensenleven. Het verbieden van de fok van dieren die fysiek én psychisch lijden lijkt mij in dit licht bijvoorbeeld een no-brainer.

Voorlichting is een andere logische optie. De meeste mensen houden oprecht van hun dier en moeten misschien nog even horen hoe zij dat dier goed behandelen. Maar persoonlijk zet ik hier niet al mijn kaarten op. Informatie komt lang niet altijd door psychologische barrières heen – vaak juist niet als die informatie zou betekenen dat jij een praktijk moet veranderen waar je erg aan verknocht bent. Ik weet waar ik het over heb, want mijn eigen hondje is ook vaker alleen thuis dan ik onder ogen wil zien.

Maar ik denk vooral dat we serieus – en dus langzaam – al die kennis, gedachten en gevoelens omtrent huisdieren met elkaar in harmonie zullen moeten gaan brengen. Ieder van ons zal daartoe bij zichzelf moeten nagaan wat goed samenleven met dieren nu eigenlijk van ons vraagt. Dit is geen kleine kwestie: de maatschappij zal erdoor veranderen. Hoe precies weet ik niet. Maar wat ik wel kan voorspellen, is dat morele kwesties die spelen in de mensenwereld zich zullen uitbreiden naar de wereld van de huisdieren.

Zo zal het gesprek over de opvoeding van huisdieren net zo netelig worden als een vergelijkbaar gesprek over kinderen. Hoe spreek je de buurman aan wiens kat via het kattenluikje jouw huis binnendringt en jouw eigen kat terroriseert? Zeg je er iets van als je een veel te dik paard ziet? Verwijt je andere hondeneigenaren dat ze de gezondheid van jouw dier op het spel zetten door hun hond niet te laten vaccineren?

Chemokuur

Humane en dierlijke gezondheidszorg zullen ook meer naar elkaar toegroeien. De huidige verschillen schuilen niet zozeer in de medische technologie – nu al kunnen katten aan een chemokuur – als wel in de organisatie en financiering van de zorg. Dieren zijn niet verplicht verzekerd, waardoor er grote ongelijkheid bestaat tussen de medische zorg voor ‘arme’ en ‘rijke’ dieren. Dat zullen groepen dierenliefhebbers onrechtvaardig gaan vinden, en ik denk dan ook dat het wachten is op de roep om een collectieve dierenzorgverzekering. Nog een voorbeeld: onder druk van de nieuwe gezinsverhoudingen zal een rechter in een scheidingszaak steeds minder belang hechten aan wie de hond destijds heeft gekocht, en vooral gaan beoordelen welke ex het best voor het beest kan zorgen. Misschien komt het zelfs tot een omgangsregeling. Het valt te voorzien dat er in de toekomst een flink robbertje gevochten gaat worden over de juridische status van gezelschapsdieren.

En zo’n nieuwe juridische praktijk kan explosief zijn. Er zullen mensen gaan opstaan die vragen waarom ze eigenlijk zo’n groot verschil maken tussen gezelschapsdieren en landbouwhuisdieren. Welke argumenten denken we daar eigenlijk voor te hebben?

De omgang met dieren raakt een open zenuw in de maatschappij. Mijn neiging is om die zenuw een tijdje bloot te laten liggen, en te kijken wat dat bij ons oproept. Zelf merk ik bijvoorbeeld dat ik helemaal niet zo consequent ben – ik doe mijn best, maar ben bepaald geen ideale baas voor mijn hond. Liever dan mezelf daarvoor te kastijden, kijk ik waar mijn overtuigingen over het wonderlijke andere van dieren nu eigenlijk botsen met mijn behoefte om de hond op schoot te trekken. Niet alleen om wat zachter te zijn voor mezelf. Ook omdat ik denk dat het onderzoeken van ongemak uiteindelijk tot meer duurzame veranderingen leidt. Want van één ding ben ik inmiddels diep doordrongen. Dieren dienen niet als gezelschap. Ze zijn ons gezelschap op aarde. En die overtuiging heeft consequenties.

Marjan Slob is filosoof en lid van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA). Zij schrijft dit essay op persoonlijke titel. Deze maand publiceert de RDA ‘Liefde maakt blind’, over de gevaren van antropomorfisme.

Meer over