ColumnDaniela Hooghiemstra

De zogenaamde ‘cancelcultuur’ lijkt iets van deze tijd, maar aan het hof doet men er al langer aan

null Beeld

Willem-Alexander maakt morgen, op Koningsdag, in Eindhoven zijn entree in een Daf die de Nederlandse autofabrikant in 1967 cadeau deed aan zijn grootouders. Hoewel met dit nostalgische open sportwagentje, gebruikt als strandauto in Italië, succes verzekerd lijkt, zal het automerk bij Willem-Alexanders oom Pieter van Vollenhoven misschien pijnlijke herinneringen oproepen.

Aangezien Van Vollenhoven midden jaren zestig een weliswaar keurige, maar toch gewone Hollandse rechtenstudent was, niet bemiddeld en niet van adel, ­zagen prins Bernhard en de toekomstige koningin Beatrix niets in zijn plan om te trouwen met hun dochter en zusje, prinses Margriet. Waar moest het heen met het koningshuis, als Jan met de pet zo het paleis binnenwandelde.

Toen het huwelijk er toch kwam, begon het pesten van Pieter. De zogenaamde ‘cancelcultuur’ lijkt misschien iets van deze tijd, maar aan het hof doet men er al langer aan. Omdat er één paleis is, bestaat er één norm. En wie het privilege geniet zich rond de hoogste instantie op te houden, heeft geen ander doel dan daaraan te voldoen.

Zodra het ‘opperhoofd van de grote Wigwam’, zoals Willem-Alexander zijn moeder Beatrix ooit noemde, het sein op groen zette, gingen de trossen los. Een onzichtbare, middelpuntvliedende kracht begon Van Vollenhoven uit te drijven. De ‘lakeienpers’, die in de jaren zestig telefonisch nog rechtstreeks verbonden was met prins Bernhard, was tot het voeren van de anti-campagne graag bereid. Historica ­Dorine Hermans beschreef in haar boek ­Burger aan het hof hoe de gewoonlijk zo ­Oranjegetrouwe pers plotseling zogenaamde ‘Pieter-anekdotes’ begon te produceren.

Van Vollenhoven die het als burger wel in de bol moest zijn geslagen, zou voorrang hebben geëist bij een benzinepomp, ontruiming hebben gevraagd van een overhemdenzaak die hij bezocht, en in een drukke schoenenwinkel hebben verlangd ‘onmiddellijk’ geholpen te worden. Daarbij roepend: ‘Weet u wel wie ik ben?’ Binnen korte tijd was de koninklijke schoonzoon met de flaporen en de grote bril de risee van het land. ‘Vroeger kon je zo’n jongen naar de koloniën sturen’, klaagde een anonieme hoveling in Vrij Nederland.

De eerste Daf kreeg de familie cadeau in 1961. Een foto uit september van dat jaar toont prins Bernhard met zijn dochter, prinses Irene, tijdens een proefrit zittend in het autootje. Ze kijken alsof ze op ziekenbezoek zijn. Koningen rijden natuurlijk niet in Dafs. Vooral hoogbejaarden die niet met een versnellingspook overweg konden, kochten het voertuig en tegen de tijd dat er op Zandvoort achteruitrijraces mee gehouden werden die werden becommentarieerd door André van Duijn, was het hoofdstuk ‘Nederlandse auto-industrie’ afgesloten.

Maar voor één koninklijke schoonzoon werd de auto geschikt geacht. Beatrix’ verloofde, Claus, kocht in december 1965 een ‘fraaie lichtblauwe viercilinder Porsche 912 met vijf versnellingen’. Beatrix had op dat moment een Volvo Amazone, Irene was rond die tijd ‘verrukt’ met haar Jaguar en Bernhard had onder meer een Ferrari. En wie verplaatste zich door Nederland in de aan de familie geschonken Daf? Juist, Pieter van Vollenhoven.

Het claimen van moraal door geboorte is inmiddels uit de tijd, maar cancelcultuur leeft meer dan ooit. Alleen komt de tucht tegenwoordig niet meer van de koning, maar van de markt. Niet de verkeerde afkomst, maar ‘on-inclusief’ gedrag wordt bestraft. De biograaf van Philip Roth was vorige week het recentste slachtoffer, andere schrijvers, filmmakers en kunstenaars gingen hem voor.

Ook leden van de koninklijke familie hoor je de laatste tijd voor ‘inclusie’ pleiten. Dat is curieus, aangezien discriminatie juist hun raison d’être is en uitsluiting de conditio sine qua non van het hof. Maar ook de koning kan niet om de almacht van de markt heen. Máxima zet zich in voor ‘inclusieve financiering’, Willem-Alexander pleit in zijn kerstboodschap voor ‘de gelijkheid van iedereen’ en zijn broer, Constantijn, kondigde als aanjager van de totstandkoming van ‘inclusieve start-ups’ aan niet meer te zullen deelnemen aan panels waar geen vrouw in zit.

Wat dat laatste betreft, zijn we dan toch weer terug bij Beatrix, die in de vorige eeuw haar voet dwars zette omdat een kandidaat volgens haar in de verkeerde categorie geboren was.

Daniela Hooghiemstra is historicus en schrijver.

Meer over