ColumnDaniela Hooghiemstra

De ‘witte’ mens is nu de onderdrukker die hij zelf veracht

Na #MeToo bewijst Black Lives Matter opnieuw de macht van de metafoor. Het geheim is de eenvoud: onderdrukking tegenover weerloosheid, dader tegenover slachtoffer. Even valt alles op zijn plaats.

Het politiegeweld dat George Floyd noodlottig werd, is in Nederland nauwelijks een thema. Vaak wordt hier juist geklaagd dat de politie te slap, of niet optreedt. Toch komen duizenden mensen, wit en zwart, op de been om steun te betuigen. Niet om een regering of een instituut aan te klagen, maar om gevoelens, variërend van persoonlijke nood tot knagend onbehagen, te delen. Niet kneveling maar ontreddering brengt de demonstranten samen. Voor saamhorigheid zijn ze zelfs bereid om verspreiding van een virus dat wekenlang de wereld stillegde, te riskeren.

Sinds staat en kerk uit het persoonlijke domein verdreven zijn, hunkeren freischwebende burgers naar gemeenschappelijkheid. De vaderlijke staat die vroeger leiding gaf, is een schuchtere verkeersregelaar geworden. Er is vrijheid en rijkdom, maar in een wereld zonder grenzen bestaan tegenstellingen die volgens de verlichte principes van vrijheid, gelijkheid en broederschap nog moeilijk zijn op te lossen.

Onder het hoge dak van de democratische rechtsstaat is iedereen op zichzelf aangewezen. De mogelijkheden lijken onbegrensd, de heilige graal is voor iedereen onder handbereik. En toch zijn er obstakels, zeker als je een huidskleur of achtergrond hebt die afwijkt van de meerderheid, al is het tussen alle individualiteiten, geaardheden en culturen onderhand een kunst om de norm te vinden.

In die vrije worstelruimte claimt iedereen de moraal van het slachtoffer. ‘Als ze het over Marokkanen hebben, hebben ze het over mij’, zei ­Arnon Grunberg tijdens de laatste Dodenherdenking. Gezien het antisemitisme in sommige Marokkaanse kringen zal die identificatie niet per se wederzijds zijn, en wat Grunberg als gevierd schrijver van middelbare leeftijd deelt met achtergestelde jongeren, is ook niet duidelijk. Maar dat doet er niet toe, de solidariteit met slachtoffers is de rituele eed die in de liberale ruimte gezworen moet worden.

Het vraagstuk van discriminatie is complexer dan de metafoor van dader versus slachtoffer. In het echte leven wisselen ze van rol. En discriminatie gaat over meer dan ‘wit’ tegen ‘zwart’.

In- en uitsluiten is de menselijke core business. Het gebeurt aan de lopende band, wereldwijd, opzettelijk, met een persoonlijk, zakelijk of politiek motief, of zomaar vanzelf en ongemerkt. Witte mensen discrimineren zwarte mensen, en ook elkaar. Hoogopgeleid discrimineert laagopgeleid, de stad de provincie. Surinaamse hindoestanen discrimineren creolen, Turken discrimineren Koerden, Marokkanen discrimineren Afrikanen en in de Arabische wereld discrimineert bijna iedereen elkaar.

Van de obstakels voor broederschap is huidskleur de meest onvrijwillige, maar religie en cultuur zijn even hardnekkig. Op zoek naar één grote mensengemeenschap én ‘zichzelf’, wilde de westerse mens zich daar in de vorige eeuw van bevrijden. Maar toen de grenzen geslecht waren en de individualisering voltooid was, kreeg hij in de nieuwe eeuw toch weer een etiket: de ‘witte’ mens, symbool van de onderdrukking die hij zelf veracht. Daarmee was de vroomheid terug. Terwijl de witte mens vijftig jaar geleden naakt over een festivalterrein rende, knielt hij nu op straat voor zijn zonden en die van zijn voorouders.

De knieval is een machtig symbool. In 1970 knielde de Duitse bondskanselier Willy Brandt tijdens een bezoek aan Polen voor het monument van de Joodse opstand in Warschau. Omdat hij als gekozen vertegenwoordiger van het Duitse volk daarmee voor het eerst de schuld van zijn land en zijn generatie aan een genocide verbeeldde, was dat gebaar indrukwekkend. Het was ook een opening naar betrekkingen tussen West- en Oost-Duitsland.

De metafoor van mensen die voor anderen knielen om te boeten voor hun ras, mist die schoonheid en belooft het tegendeel van een dialoog. In het tijdperk van sociale media kan onrecht razendsnel verbroederen, maar ook verdwazen. Op het hoogtepunt van de #MeToo-revolte beweerden vrouwen dat bewijs niet nodig is om verdachten van seksueel geweld te veroordelen.

Aanwijzingen dat de agent die Floyd om het leven bracht racistische motieven had, zijn er nog niet, terwijl dat in een rechtsstaat geen onbelangrijk detail is.

Daniela Hooghiemstra is journalist en historicus

Meer over