ColumnPeter Middendorp

De tijdgeest is verdwenen, terwijl de nieuwe nog niet is gearriveerd

Elke ochtend, het ontbijt was gedaan en de tanden waren gepoetst, gingen mijn vriendin en onze dochter naar hun kamers om zich gelijkmatig van hun voorgenomen taken te kwijten. Na gedane arbeid, een uur en een kwartier later, namen ze een pauze van fruit en frisse lucht, waarna ze de handelingen herhaalden, iedere dag, week in week uit, er kwam geen einde aan hun kalme productiviteit.

In al die tijd heb ik maar één keer iets gehoord dat niet was voorbereid – een schrille kreet uit de badkamer. Een patiënt belde met beeld naar de iPad waarop onze dochter sommen maakte. Ze had keurig opgenomen en gezegd, voor ze de iPad de badkamer in droeg: ‘Mama staat onder de douche. Ik loop wel even naar haar toe.’

Ik bleef elke ochtend achter bij de tafel. Ging ik ook wat doen? Kortgeleden bekende ik al dat mijn internationale roadnovel in wording is verzand in de coronacrisis – ik kreeg de personages, zogezegd, de grens niet over. Daarbij is de tijdgeest ook nog eens verdwenen, terwijl de nieuwe nog niet is gearriveerd, zodat je als schrijver van een roman die de tijdgeest wil vangen in een aap van een vacuüm bent gelogeerd.

De scholen zijn weer open, de grenzen deels ook, in huis en hoofd zou weer ruimte voor de roadnovel moeten bestaan. Maar als je eenmaal hebt gezien dat iets niets is, zie je er niet zo makkelijk meer iets in. Sterker: het gevoel van niets springt over op andere bezigheden, je persoon, alle domeinen van het leven. Iemand noemde deze toestand eens een zelfdepreciatie-hypnose, een goede term, vind ik, omdat die ook beschrijft dat je er weer uit zult ontsnappen.

Ik herinner me zo’n hypnose uit de tijd dat mijn voorlaatste roman bij de drukker lag. In een column heb ik toen eens heel precies uitgelegd hoe het voelt om jaren hard aan iets te werken en dan ineens te beseffen dat het een kutboek is. Het leek me een eerlijk bericht, maar vrienden grepen naar hun hoofd en de uitgever klaagde dat ik ons al voor publicatie op een onoverbrugbare achterstand had gezet.

Ik raakte in paniek en wilde een nieuwe column schrijven, maar hoe deed je dat zonder het erger te maken? Misschien kon de krant de lezer een naberichtje sturen of enkele regels opnemen in Correcties en Verbeteringen – in de column van Pietje is een foutje geslopen, waar ‘kut’ stond, werd ‘normaal’ bedoeld.

Moest ik mijn probleem thematiseren, was dat de oplossing, een roman schrijven waarin een personage op zoek naar de verloren tijdgeest gaat? Proust doopte één koekje in de thee, de beroemde madeleine, en leuterde zeven dikke boeken vol, maar hij heeft er al tien ingedoopt en er gebeurt niks, ook niet als hij het met stroopwafels probeert.

Nee, ik geef niet op, maar ik ben er nog niet, ik kom nog niet dichterbij.

Meer over