essay

De tijd van hautaine polemiek is voorbij, betoogt Marjan Slob

In de tijd van W.F. Hermans was de blik van één type mensen – die van witte gestudeerde mannen – dominant. Dat is aan het veranderen.

Marjan Slob

In de jaren zeventig en tachtig ‘geselde’ W.F. Hermans vanuit Parijs het vaderland met zijn ‘snerpende’ kritieken – wat hem de reputatie bezorgde van een van de beste polemisten die Nederland ooit heeft gekend. Nog steeds is Hermans voor mij de koning van het bijvoeglijke naamwoord. Met één vileine kwalificatie kan hij je laten opveren, en vaak ook in de lach doen schieten. Maar hoe virtuoos zijn stijl ook is, zijn manier van polemiek voeren is in mijn ogen behoorlijk achterhaald. Hermans laat zichzelf namelijk altijd buiten schot, en zo’n comfortabele positie kan tegenwoordig niemand meer claimen. Al heeft nog niet iedereen dat in de gaten.

null Beeld Rhonald Blommestijn
Beeld Rhonald Blommestijn

Een rel uit herfst 2020 is voor mij een iconisch voorbeeld van die blindheid. U weet wel: de organisatie van BredaPhotoFestival had kunstenaar Erik Kessels uitgenodigd om een installatie te maken op een locatie naar keuze. Kessels’ oog viel op de plaatselijke skatehal. Hij plakte de hele vloer vol met stickers van vrouwen die wangen, neus of lippen via plastische chirurgie hadden laten veranderen. Zodra de gebruikers van de hal over die vloerstickers zouden skaten, zouden die gezichten onherroepelijk krassen gaan vertonen. De kunstenaar verklaarde dat we tegenwoordig weliswaar ons gezicht kunnen veranderen, maar dat verval toch niet tegen te houden is. Voor hem ging dit werk over zelfacceptatie. Hij noemde het: Destroy my face.

Er bleek echter een heel andere interpretatie van zijn werk mogelijk. Twee jonge vrouwelijke kunstcritici startten een actiegroep, die ze We Are Not A Playground noemen, en stuurden de organisatie van het festival een open brief met tal van eisen, waaronder de eis dat het kunstwerk zou worden weggehaald. De brief ging viraal. Skaters van over de hele wereld stuurden verontwaardigde mails naar de grote skateboardmerken die dergelijke hallen sponsoren, ook deze in Breda. De beheerders van de hal haalden bakzeil, de stickers werden van de vloer getrokken. Al met al heeft kunstwerk nog geen week bestaan.Deze rel is vaak begrepen als een ‘polemiek’ tussen een kunstenaar en jonge meiden die willen cancelen wat hen niet bevalt. Maar als je deze confrontatie ziet als een polemiek zoals die in de glorietijd van Hermans werd gevoerd, mis je volgens mij iets belangrijks: de revolutionaire kern van de rel.

Polemiek is ‘een schriftelijke strijd met een vakgenoot’, om de woordenboekendefinitie erbij te halen. En zo stapte Hermans in zijn tijd ook het strijdtoneel op. Voor hem was de hamvraag: zie ik het beter, verwoord ik het scherper, dan mijn collega? Daarmee ging hij compleet voorbij aan een andere maatstaf van kwaliteit, die niet draait om wie het beste scherpstelt, maar om wie de beste positie inneemt om verslag te doen van een verschijnsel in de wereld. De kwaliteitsvraag neemt hier de volgende gedaante aan: wat is de waarde van jouw blik? Hoe betrouwbaar is jouw inbreng? Kun jij, met jouw specifieke lichaam, met jouw particuliere geschiedenis, wel weten waarover je praat? Dergelijke vragen konden polemisten uit de oud-Hollandse school van Hermans grandioos buiten beschouwing laten, want die stelden ze elkaar niet, en niemand anders kreeg de kans ze te stellen.

null Beeld Rhonald Blommestijn
Beeld Rhonald Blommestijn


In de tijd dat Hermans schreef, was de blik van één soort mensen – die van witte gestudeerde mannen – volkomen dominant. Deze mannenbroeders waren in zekere zin vakgenoten. Zij konden onderling de degens kruisen vanuit het zekere besef dat hun polemiek de kwaliteit van het gehele maatschappelijke debat ten goede zou komen. Inmiddels is de situatie radicaal anders: je behoort doordrongen te zijn van de diversiteit aan gezichtspunten. Mensen verschillen niet alleen in de mate van talent om de realiteit te beschrijven. Nee, mensen ervaren ook andere realiteiten, afhankelijk van hun afkomst, huidskleur, gender – noem alle kwalificaties maar op. Er is dus niet één, gedeelde maatstaf meer op grond waarvan je kunt bepalen wiens blik het meeste kwaliteit heeft.

Laat me duidelijk zijn: ik bedoel niet dat mensen de wereld nu eenmaal verschillend ervaren, en dat we zo liberaal moeten zijn om elkaar daar de ruimte voor te geven. Ik beweer dat onze tijd de implicatie aan het verwerken is van het besef dat mensen de wereld op een verschillende manier kennen. En dat verandert de zaak radicaal. Bij een andere manier van kennen hoort namelijk een ander gelijk. Je kunt vanuit jouw plekje wel ‘altijd gelijk’ hebben, zoals Hermans graag plaagde. Maar datzelfde geldt wellicht voor die persoon daar, die vanuit een heel andere positie over feitenkennis beschikt die tot een heel ander gelijk leidt. De echte vraag is wiens gelijk mag domineren in die ene wereld waarop we het samen moeten rooien. Om de kwestie terug te brengen tot die Bredase kunstrel: luisteren we naar het gelijk van Erik Kessels, of naar het gelijk van de actiegroep? Dat is een politieke vraag. En het antwoord op die vraag staat los van wie zich beter, mooier, scherper, ja zelfs begrijpelijker uitdrukt. Dergelijke kwalificaties zijn wel waardevol, maar dan vooral in een polemiek tussen vakbroeders onderling – dus in een debat tussen mensen die bij voorbaat hetzelfde verstaan onder kwaliteit.

Politiek is de plek waar criteria zelf worden betwist. Politiek is strijd. En die strijd kent onvermijdelijk winnaars en verliezers. Het belangrijkste voor een fatsoenlijke politiek is dan ook niet om verlies te vermijden, maar om te vermijden dat de verliezers vernederd worden – een gedachte die ik ontleen aan de Israëlische filosoof Avishai Margalit. En het meest vernederende voor een verliezer is, nog steeds volgens Margalit, dat er niet werkelijk naar je wordt gekeken. Dat je wordt genegeerd. Dat je een figurant bent in het verhaal van een ander. Kennelijk ben je dan niet belangrijk genoeg om als een volwaardig persoon te worden gezien, met een eigen sensibiliteit. De maatschappelijke woede over dergelijke vernedering – die van vrouwen, van zwarte mensen, van queer mensen, van laaggeschoolde mensen – is brandstof voor de revolutionaire onderstroom die momenteel het ‘redelijke’ debat ondermijnt.

null Beeld Rhonald Blommestijn
Beeld Rhonald Blommestijn

In opstand komen tegen vernedering getuigt voor mij van moed en levenslust. Daarmee is het in principe iets om te vieren. Maar dat wil niet zeggen dat degenen die in opstand komen boven elke kritiek verheven zijn. Hier is Margalit nog een keer: ‘Een fatsoenlijke samenleving heeft niet de verplichting om wie dan ook in een positief daglicht te tonen, ook kwetsbare groepen of personen niet.’ Je kunt volgens Margalit best zeggen dat een opvatting van een vernederde rammelt, of van weinig gevoel of kennis van zaken getuigt. Kritiek kan dus, graag zelfs – het is een koninklijke manier om een ander te erkennen en serieus te nemen. Maar hele groepen mensen als flat characters blijven zien – dat kan niet. Dat is vernederend.

Met Margalit in gedachten kijk ik nog eens naar Destroy My Face. Ik zei al dat de rel rond het kunstwerk een revolutionaire kern heeft. Dat dit zo is, heb ik gemerkt aan mezelf: revolutie betekent omkering, en ik heb gevoeld hoe mijn positie omsloeg. Aanvankelijk reageerde ik klassiek. Mijn houding was: ‘Blijf met je tengels van de kunst af! Vrijplaatsen waarin kunstenaars tot expressie kunnen brengen wat voor hen van belang is, ongeacht wat de goegemeente daarvan vindt, staan al genoeg onder druk.’ Dat mijn gevoel ging schuiven, kwam door een prachtige aflevering van het televisieprogramma Medialogica over deze affaire. Daarin vertelde een vrouwelijke skater hoe zij dagelijks moet vechten om zich te handhaven in een skatehal vol mannen. ‘Kessels heeft geen idee wat hij aanricht in deze wereld, die ik de mijne probeer te maken, door die mannen nu over vrouwengezichten heen te laten skaten’, zei ze met zoveel woorden. De kunstenaar eigent zich een betwiste ruimte gedachteloos toe, en die jonge vrouw komt geen moment in zijn overwegingen voor. Ze was niet meer dan een figurant in zijn decor. Dit voldoet precies aan Margalits definitie van vernedering.

Toen ik kritischer begon te worden over het hele kunstwerk, sprong opeens iets anders in het oog. Kessels verklaart dat hij wil aangeven hoe futiel het verzet is tegen natuurlijk verval, en noemt zijn werk Destroy My Face. Maar wiens gezicht wordt hier nu eigenlijk beschadigd? Niet dat van hem. Dat van vrouwen. Het is dus niet zijn eigen spanning waar hij vorm aan geeft. Dat maakt zijn maatschappijkritiek nogal gratuit, nogal laf. Inmiddels wil ik tegen Kessels zeggen: ‘Zet jezelf op het spel! Laat over jezelf heenrijden! En kom dan elke avond na sluitingstijd naar die skatehal, om op je knieën de dagschade aan je gezicht zo goed mogelijk te herstellen met een of andere kunsthars. Neem dat corvee op je, net als die conventionele, niet zo revolutionaire, burgerlijke vrouwen doen, die zo gaaf mogelijk willen blijven omdat ze weten dat dit een voorwaarde is om zich in hun wereldje te handhaven. Dán stel je iets aan de orde!’ Kort en goed: ik begon woede te voelen.

De woedende claim van vernederden is dat hun gelijk niet gezien wordt, en dat hun manier van kennen van de wereld ook niet toegankelijk is voor iemand met een ander lichaam en een andere geschiedenis. Die claim is gevaarlijk, want die dreigt het gedeelde speelveld te verbrijzelen. Als ik jou bij voorbaat niet kan begrijpen omdat mijn lichaam of geschiedenis of ervaring anders is, dan valt de gezamenlijke vloer onder onze voeten weg. Dat is fataal voor een samenleving. Die claim is dus echt riskant – en toch vind ik dat we protesten in deze trant serieus moeten nemen. Er zit namelijk ook een kern van waarheid in. Je kunt je medemens niet langer lui beschouwen als de zoveelste variatie op jezelf. Dat besef is de revolutie van onze tijd, en revoluties zijn nu eenmaal gevaarlijk. Veranderen gaat vaak van au.

Sommige tijdgenoten schreeuwen dat ze wezenlijk andere ervaringen, en daarmee andere wensen hebben – of ze nu een geel hesje aantrekken, genderneutrale wc’s eisen, of hun lichaam niet willen blootstellen aan een staatsprik. Hoe cru hun verzet soms ook is, hoezeer hun daden misschien zelfs ingaan tegen hun welbegrepen eigenbelang, je mist iets belangrijks als je dit verzet opvat als een vorm van polemiek en klaagt dat deze bijdrage aan het debat maar bar weinig ‘kwaliteit’ heeft. Het gaat om wat hier uitgeschreeuwd wil worden. Deze mensen verwerpen jouw criteria en eisen op eigen voorwaarden een plek op.

Dat dit bonkig en lelijk en primitief en onbeschaafd gebeurt, kan waar zijn. Nieuwigheid en onbeholpenheid gaan wel vaker samen. Maar op dit historische moment klagen over de gebrekkige stijl van nieuwe stemmen, is een vorm van de gelederen sluiten. Door hautain te verkondigen dat hier ‘de polemiek’ en ‘het debat’ worden bedreigd door mensen die alles willen ‘cancelen’ wat hen niet zint, laat je zien dat je in feite onderdeel bent van het probleem. Dergelijke ‘kritiek’ is simpelweg niet kritisch genoeg op zichzelf. Dat soort gesputter speelt de status quo in de kaart. Luister liever eerst eens naar wat hier nu eigenlijk gezegd wil worden. Kom daarna eventueel met je kritiek. Dan is kritiek welkom en opportuun, want dan is kritiek een vorm van erkenning.

Identiteitspolitiek plaatst ons volgens mij allemaal voor de volgende revolutionaire vraag: wat vraagt het van jou om iemand werkelijk te kunnen zien? Hoe kan je een ander mens ervaren als een subject dat op jou lijkt en waarmee je een wereld deelt – en tegelijkertijd als een wezen dat van jou verschilt?

null Beeld Rhonald Blommestijn
Beeld Rhonald Blommestijn

Eigenlijk ligt het antwoord al in het voorgaande besloten: door die ander te zien als een round character. En dat doe je door even in de schoenen van een ander te gaan staan. Door te pogen je een moment met een ander te identificeren, met haar kracht, haar verlangen, haar kwetsbaarheid. Pas dan zul je – paradoxaal genoeg – ook haar uiteindelijke geheimzinnigheid kunnen opmerken, haar onkenbaarheid voor jou. Jouw poging tot identificatie is gedoemd om te mislukken; uiteindelijk blijven we elkaar vreemd, uiteindelijk kent een mens niet eens zichzelf. Maar zo’n poging is ook een gebaar van toenadering. En alleen door die moeite te doen, creëer je een ruimte waarin nieuwe dingen kunnen gebeuren. Alleen zo kan de samenleving blijven ademen.

De quantummechanica stelt dat licht tegelijkertijd golf en deeltje is. Ik heb het altijd een flinke uitdaging gevonden om dat te begrijpen. En nu stel ik eigenlijk iets soortgelijks voor waar het om mensen gaat. Kun je een ander tegelijk als medemens en als vreemde ervaren? Kun je dat allebei tegelijk waar laten zijn? Lukt je dat? Dat is van groot belang, want als je je louter richt op herkenning, en meent te weten wat ware menselijkheid behelst, dan annexeer je de hele politieke skatehal en zal daar een totalitair en benauwend regime gaan heersen – hoe goed jij het allemaal ook bedoelt. Maar als je alleen oog wilt hebben voor de verschillen tussen ons en daar steeds maar erkenning voor eist, dan skaten we niet meer samen. Dan kunnen we niet eens meer tot botsing komen. Dan valt onze gezamenlijke wereld uit elkaar.

De publieke ruimte gedijt bij scherpte en welsprekendheid; van laf op eieren lopen wordt niemand beter. Maar de publieke ruimte vraagt ook dat je je openstelt voor het waarlijk andere van een ander. Dat stijlvol combineren, dat is de kunst.

Marjan Slob is filosoof. Dit is een bewerking van de lezing die zij ter gelegenheid van het Hermansjaar uitsprak voor de Nederlandse ambassade in Parijs, waar zij gastschrijver was.

Meer over