ColumnMax Pam

De routekaart naar betere tijden is er, maar waarom voel ik dan toch meer angst dan opluchting?

null Beeld

Deze krant presenteerde dinsdag de routekaart naar betere tijden. Je kon erop aflezen wanneer je wordt gevaccineerd en wanneer dat zou gebeuren bij de mensen in je omgeving. Het merendeel van de bevolking moet in april/mei zijn ingeënt, maar Het Financieele Dagblad toonde zich voorzichtiger en meldde dat de hele operatie pas eind september klaar zal zijn. Negen maanden, dat is de tijd waarin een cel zich ontwikkelt tot een levensvatbaar mens. Gezien het tempo van het voorgaande zou het best nog eens wat langer kunnen duren. De uitvoering van ambitieuze projecten door de Nederlandse overheid loopt doorgaans grote vertraging op, denkt u maar aan de Betuwelijn en het ict-informatiecentrum, om over de afhandeling van de toeslagenaffaire maar niet te spreken.

Desondanks is zo’n routekaart goed nieuws. Toch voelde ik in eerste instantie geen opluchting, maar eerder angst. Die had ik nog niet eerder gekend. In de afgelopen maanden heb ik steeds rondgelopen met een schild van onkwetsbaarheid: als ik goed oplette, kon mij eigenlijk niets gebeuren. Anderhalve meter afstand houden, telkens je handen wassen en geen drukke winkels opzoeken, dan zou het zeker lukken om gezond te blijven.

Bovendien was ik in Nederland een van de eersten die een mondkapje ging dragen, het devies indachtig: alle beetjes helpen. Omdat de Nederlandse overheid lang volhield dat die kapjes niets om het lijf hebben en men daarom bij de drogist reageerde alsof je naar een kilo viagra-pillen vroeg, bestelde ik die mondkapjes bij een vriend in Praag, waar je ze overal voor een paar dubbeltjes kon kopen. Ik weet nog dat ik voor het eerst, omgord met zo’n kapje, een supermarkt binnenstapte en dat de mensen terugdeinsden voor de griezel die daar aankwam. Nu draagt iedereen ze, niet uit voortschrijdend inzicht, vermoed ik, maar omdat het verplicht is.

Zo kwam ik de afgelopen maanden door. Ik vroeg mijn kinderen zich met enige regelmaat te laten testen, zodat we toch samen konden eten. Zij beiden aan de ene kant van de tafel en ik aan de andere kant. Dat had wel wat, de mens heeft nu eenmaal een ongeneeslijke hang naar gezelligheid. Werken deed ik toch al thuis en verder was het een goede training in eenzaamheid, volgens het adagium van Willem Frederik Hermans: ‘Andere mensen? Hoe kom ik van ze af, hoe kom ik zo snel mogelijk van ze af.’

Waarom voelde ik dan toch meer angst dan opluchting?

Om twee redenen. Ten eerste, omdat twee bekenden in mijn omgeving stierven aan corona. De eerste was Waldemar Post, begenadigd illustrator van deze krant, een aimabel mens, die ik ondanks zijn leeftijd altijd kwiek door mijn straat zag lopen. De tweede was Robbert Keegel, even adjunct-hoofdredacteur van Het Parool, die het liefst over auto’s schreef. We kwamen eens gelijktijdig aanrijden, hij in een Volkswagen, ik in een Peugeotje. Bij het uitstappen vroeg ik hem waarom Duitse auto’s beter zijn dan Franse. Hij antwoordde: ‘Luister maar.’ Toen opende hij mijn portier en gooide het weer dicht. Een geluid van blik. Daarna opende en sloot hij het portier van zijn VW. Het geluid van staal.

Het moet dus, ten tweede, te maken hebben met de eindstreep. Nog twee, drie maanden wachten op het vaccin, waarom kan ik daar ineens zo moeilijk het geduld voor opbrengen? Het is natuurlijk de angst om te sneuvelen op de dag van de bevrijding. Zit je in het verzet en word je doodgeschoten, dan is het all in the game, hier stond ik en ik kon niet anders. Een held stierf voor de goede zaak. Maar komt het einde van de oorlog in zicht en laat je het leven door een paar wanhoopschoten van de laatste achtergebleven soldaten, dan lijkt alles wat je deed zinloos en voor niets.

Zul je net zien, heb ik weer.

Maar nu een normaal leven weer dichtbij is gekomen, wil je natuurlijk helemaal niet meer dood. Harry Mulisch heeft eens gezegd: ‘Je kunt beter ziek-zijn dan niet-zijn.’ Helemaal waar, maar nog beter is gezond zijn en gevaccineerd zijn. Daarom ben ik geneigd om de eerste priklocatie – prachtig woord – in Veghel op te bellen om te vragen of ik ook even langs mag komen. Nee, ik ben geen zorgmedewerker, maar er is altijd wel iemand in die groep die niet wil, dus zou ik misschien zijn of haar plaats mogen innemen? Ik sta hier te springen, maar ik beloof u dat ik heel stil zal blijven zitten.

O ja, geachte prikmanager, en ik wil graag het vaccin van Pfizer of Moderna. Die zijn revolutionair en krijgen vast de Nobelprijs. Die andere vaccins zullen ook wel goed zijn, maar ik ga voor 90-95 procent effectiviteit. Of mag ik niet kiezen?

Meer over