ColumnSheila Sitalsing

De rancune-uitbaters van Forum en de kunst van het aandacht trekken

null Beeld
Sheila Sitalsing

De vorige keer dat pers en parlementariërs zich handenwringend afvroegen wat ze met het ongeleide projectiel in hun midden aan moesten, heette het projectiel in kwestie Geert Wilders.

Dat hij de hele dag liep te hitsen tegen moslims en Antillianen was tot daaraan toe – hitsen scheen te horen bij de democratieopvatting en de nieuwe bestuurscultuur van toen; sinds Fortuyn waren er bar weinig politici overgebleven die de moed hadden daar iets tegenin te brengen. Maar toen hij in de grote vergaderzaal van de Tweede Kamer ministers en volksvertegenwoordigers ging beledigen, nam het handengewring epische proporties aan. Er bleken verbazingwekkend veel mensen te zijn die schelden tegen een minister om de een of andere reden schokkender vonden dan schelden tegen willekeurige, jonge Marokkaanse jongens.

Uiteraard volgde daarop het grote maatschappelijke debat over de doodzwijgvraag. Over doodzwijgen kun je ontzettend veel praten. Er zijn ontelbaar veel kolommen over volgeschreven en vele lange uren zendtijd op radio en tv mee gevuld. Daarin werden de dood te zwijgen uitspraken en acties uitentreuren herhaald (‘Het was weer verschrikkelijk. We gaan even kijken’).

Einde van het liedje was dat het in de hele geschiedenis niet eerder was voorgekomen dat een relatief marginale oppositiepoliticus zoveel aandacht kreeg als Geert Wilders. Neem die februarimiddag in 2009, toen Wilders naar Londen vloog. Hij wilde er zijn anti-islamfilm Fitna tonen in het Britse Hogerhuis, hij was er niet welkom, de Britten hadden hem de toegang tot het land ontzegd omdat de film ‘haat en extremisme’ zou verspreiden, dat wist hij, dat wist iedereen. Toch vloog hij erheen, enkel om zich met veel misbaar te laten terugsturen door een Britse immigratieambtenaar op Heathrow.

Vijftig (50) journalisten vlogen mee. Teletekst deed live verslag van elke etappe. Uit het verslag in de Volkskrant: ‘Er bestond voelbare tegenzin bij de pers, maar ze waren er weer allemaal. Ze vonden het eigenlijk onzin, maar nog vóór de lampjes van de veiligheidsgordels waren gedoofd, stormden er zeker twintig mensen door het gangpad naar voren.’

De andere passagiers reageerden ‘spottend of ronduit geïrriteerd op alle gedoe’, schreef de Volkskrant-verslaggever. ‘Waar was die pers toch mee bezig? Maar bij terugkomst in Nederland meldde Radio 1 dat luisteraars bovenaan de ranglijst van het interessantste nieuws hadden gezet: Circus Wilders in Londen.’

Léonie de Jonge, politicoloog aan de Rijksuniversiteit Groningen, constateert in haar onderzoek: rechts-radicale ophef is voor de media onweerstaanbaar – in Nederland althans, in Luxemburg en Wallonië wordt er simpelweg niet over geschreven. Wilders is er groot mee geworden.

Thierry Baudet heeft heel goed opgelet en de kunst van het aandacht trekken geperfectioneerd. Hij wijdde er niet zo lang geleden nog een warrig betoog aan op de FvD-website onder de titel ‘Over het nut van ophef’.

Of de drek die de complotidioten en rancuneuitbaters die op de slippen van Baudet in de Tweede Kamer zijn gekomen over het land uitstorten onderdeel zijn van de ophefstrategie, weet ik niet. Misschien zijn ze krankzinnig van zichzelf.

Wat wel duidelijk is: dat oude reflexen zich niet zomaar laten verjagen. Woensdag hoorde je het weer zoemen, toen een halfgare van FvD een mede-Kamerlid had bedreigd: of we die lui niet moeten ‘doodzwijgen’.

Die vraag komt altijd nádat het jarenlang onafgebroken over ze is gegaan.

Meer over