GastcolumnTineke Bennema

De oorlog tegen de bloemen en de planten moet stoppen

Tineke Bennema
Tineke Bennema
PNG TRANSPARANT Beeld rv
Tineke BennemaPNG TRANSPARANTBeeld rv

Nepenthes rajah is een wilde tropische plant, die eruitziet als een bordeauxrode pleepot met doortrekhandle. Hij is een vleeseter en smult van poep van kleine dieren. Een foto ervan siert mijn toilet. Ik ben dol op wilde bloemen en planten. Maar Nederland heeft de oorlog verklaard aan wild gewas.

Vorige week zag ik ze alweer: de bladblazers zijn nog maar net teruggetrokken, of de branders en chemische wapens worden ingezet in de strijd tegen blad, bloem en gewas. Napalm en Agent Orange (Roundup-onkruidverdelger is nog steeds niet verboden?) vernietigden genadeloos de kekke kopjes van opschietende sprietjes. In de lijn der verwachtingen zullen tegelterroristen binnenkort ook weer alles wat groen is tussen welk baksteen en cement dan ook gaan uitkrabben. Op. Hun. Vrije. Zaterdag. En dat in hun tot ‘onderhoudsvriendelijk’ gebombardeerde tuin.

Uitgestorven

Alsof er niet een paar weken eerder een alarmerend rapport is verschenen van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur, die waarschuwt dat er straks helemaal geen natuur meer is in de steden. Alsof er sinds 1950 niet minstens vijftig van de 1.500 wilde plantensoorten in Nederland zijn uitgestorven, vijfhonderd achteruitgegaan, en bijna 40 procent wordt bedreigd. Alsof we niet voor een globale klimaatramp staan, zoals het IPCC deze week nog zei.

Als schuldigen wijst Nederland naar de tienduizenden boeren, die 60 procent van het land in beslag nemen. Ze gebruiken bestrijdingsmiddelen die ervoor hebben gezorgd dat onze ecologie zelfs op instorten staat, volgens de Raad. Maar die vele miljoenen stedelingen vertonen precies dezelfde oorlogszucht, die bijdraagt aan sterfte van flora en fauna in hun tuin.

Dat komt allemaal doordat Nederland een ‘te smal natuurbegrip’ hanteert, staat er in het rapport. Daarmee bedoelt de Raad, denk ik, dat Nederlanders dol zijn op de natuur, in hokjes, achter hekken en op vakantie, maar not in my backyard. Ze gaan gebukt onder de maakbaarheidscultuur: je plant je studie, geslacht, partner, carrière, kinderen, pensioen, begrafenis en dus ook de postzegel voor en achter je huis. Dan zet je bijvoorbeeld een kwijnende olijftak in een grijze bak op de tegels van voorheen de voortuin, met in de winter een zak plastic over zijn hoofd.

Wederzijdse liefde

Hoe heeft de klad zo in de relatie tussen mens en plant kunnen komen, die ooit een en al wederzijdse liefde was? Is de mensheid bovendien vergeten dat het totaal afhankelijk is van bladgroen, granen, kruiden, zaden, peulvruchten, wortels, bessen, knollen: voor voedsel, medicijnen, smaakversterking en geur, kleding (vlas, katoen)? Ooit viel alles samen met de natuur. Ging het daarmee goed, dan voer de mens ook wel.

Schilders, architecten, muzikanten, kunstenaars en modeontwerpers lieten zich inspireren door flora. Geen wonder dat in bloemen en planten God werd gespot en zij lange tijd diepe symboliek droegen.

De lelie was voor de Egyptenaren het symbool van schepping en vruchtbaarheid en voor de Romeinen het symbool van Venus. Anemonen sprongen op uit de bloeddruppels van de wonden van Christus. Boeddha liet lotusbloemen achter zich in plaats van voetstappen. In de sprookjes van duizend-en-een-nacht ruiken mensen het liefst naar jasmijn als symbool van reinheid en besprenkelen ze hun kleding ermee. William Wordsworth liet zijn hart dansen met de narcissen. En in Iris beschrijft Hermann Hesse het opperste geluk van een man als zijn ziel erin slaagt in het hart van een blauwe Iris te verdwijnen.

Bioloog Stephan Buchmann schetst in zijn boek Bloemen, een cultuurgeschiedenis, hoe mensen bloemen opmerkten als bijproduct van landbouw, zoals het paarse vlinderbloemetje van de kikkererwt. De volkeren die gereedschappen hanteerden om de aarde te bewerken, gingen ook siertuinen aanleggen om er dagelijks van de schoonheid van flora te kunnen genieten. Later werden bloemen gecultiveerd voor parfums: voor een liter rozenessence is een miljoen met de hand geplukte bloemen noodzakelijk. Dan leer je wel respect krijgen voor alles wat bloeit.

Scheiding

Maar cultivatie creëerde meteen een onherroepelijke scheiding tussen mens en gewas. De Romantiek zorgde vervolgens weliswaar voor een hausse in waardering van natuur, maar plaatste tegelijkertijd de mens erbuiten als observator, als bezoeker. Industrialisering en massaconsumptie deden de rest.

Bloem en plant zijn nu vooral relevant als consumptiegoed en winstobject en worden als zodanig gemanipuleerd en gekweekt. En ze zijn lang overbodig gemaakt in de kleding- en parfumindustrie door vervanging met synthetische producten. Het is net zo met ze gesteld als met de onherkenbare kip verpakt als kipfilet in plastic schaaltjes: wie weet nu nog dat kappertjes bloemknopjes zijn en artisjokken distels?

En het goddelijke van de bloem? Misschien bezit alleen de roos nog wat sleetse symboliek van liefde. Wilde bloemen, ze dienen nergens meer toe. Hoezo veranderden mannen als Narcissus, Hyacinthus en Adonis in bloemen?

Zo verdween met God ook de wilde natuur uit het seculiere Nederlandse leven. God is dood, want door individualisme, secularisatie, neoliberalisme, is de burger vooral druk met zelfontplooiing. Misschien dat de ongeremdheid en ongetemdheid van de wilde natuur ons herinnert aan toen we zelf nog niet het juk van de eigen loodzware ambities droegen.

Spinoza had gelijk met zijn God of de Natuur. De mens stapte hovaardig uit de eenheid van de schepping en plaatste zich boven de natuur. Dan gaat het goed mis, ja.

Tineke Bennema is historicus en in de maand april gastcolumnist op volkskrant.nl.

Meer over