columnmax pam

De jongen die opschepte over zijn Lamborghini is een geval van alle tijden

Max Pam artikel ColumnBeeld .

Onlangs stond op de site van deze krant een ­verhandeling van de psycholoog Lammert ­Waslander onder de weinig hoopvolle kop: ‘Hoe kunnen we ‘jongvolwassenen’ duidelijk ­maken dat ze hun eigen graf ­graven?’ Het stuk was een commentaar op de protesten tegen inperking van vrijheden door coronamaat­regelen.

Toen de impact van de vraag tot mij was doorgedrongen, kwam intuïtief deze reactie ­boven: nee, dat zullen wij aan jongvolwassenen nooit duidelijk kunnen maken. En meteen daarna dacht ik: de enige methode om ze toch duidelijk te maken dat ze hun eigen graf graven, is om jongvolwassenen inderdaad hun eigen graf te laten graven. Het moet ze zelf overkomen. Dat zal met enige collateral damage (nevenschade) gepaard gaan, maar het is niet anders. ‘It is what it is’, zou Donald Trump zeggen.

Wie staande op zijn recht wil ervaren dat in het verkeer rechts altijd voorrang heeft, moet vooral geen gas terugnemen als van links een onoplettende fietser aankomt. En andersom: de fietser die wil bewijzen dat rechtdoorgaand verkeer altijd voorrang heeft, moet vooral doortrappen als een auto hem of haar wil afsnijden.

Voorafgaand aan enkele pedagogische aanbevelingen geeft Waslander een analyse van de huidige situatie. Die is veroorzaakt door het liberalisme, het consumentisme en het inconsequente gedrag van de overheid. Ook Trump komt nog even langs als de man die met bruut egoïsme de boel op scherp heeft gezet. Kortom, het zijn the usual ­suspects die de schuld krijgen van de ongehoorzaamheidsrellen. De jongvolwassenen zijn feitelijk het slachtoffer van de maatregelen, die hun uiteraard door de ouderen zijn opgelegd.

Bij het verwijt van liberaal ­consumentisme moet ik altijd denken aan de reis die ik als jongvolwassene naar de Sovjet-Unie heb gemaakt. Het was in de jaren zestig van de vorige eeuw en ­hoewel ik als individu enige vrijheid genoot, kon je er alleen maar komen als je in een groep reisde en aan bepaalde evenementen deelnam. Zo kwamen we onder leiding van een Sovjet-gids ook terecht in Goem, het warenhuis van Moskou, dat nog onder de tsaar was gebouwd en dat na ­Lenin was uitgeroepen tot de Universele Staatswinkel.

Goem had uiterlijk alles van een paleis, maar ik was zo stom te vragen waarom er zo weinig spullen te koop waren. De etalages en toonbanken waren voornamelijk leeg. Van de gids kreeg ik toen een enorme uitbrander. Ja, in het kapitalistische Amerika konden de mensen wel tien soorten tomatenketchup kopen, terwijl je aan één soort wel genoeg had. Wat een domheid! Hetzelfde gold trouwens voor auto’s.

Later las ik bij Karel van het Reve dat in heel de Sovjet-Unie überhaupt geen tomatenketchup (en pindakaas) te koop was en dat die Volga’s voornamelijk stil stonden, waar de Amerikaanse automerken maar bleven doorrijden. En weer later zag ik met eigen ogen dat je in Amerikaanse supermarkten niet tien, maar honderd verschillende ­tomatenketchups kunt kopen. Ik bedoel: dat verwijt van karakter bedervend consumentisme heeft nooit veel indruk op me gemaakt.

De jonge patser, die gisteren in deze krant stond op te scheppen over zijn Lamborghini van drie ton die door een andere jonge patser in de prak was gereden, is zowel een uitzondering als een geval van alle tijden. Jong zijn, het gezag tarten en geld onbesuisd over de balk smijten, is een oude combinatie.

In dit verband wijs ik graag op Dostojevski’s voorlaatste roman De halfvolwassene. Dostojevski publiceerde die in 1875, maar ooit las ik de twee Prisma-deeltjes uit 1956, vertaald door S. van Praag. Latere vertalingen reppen van De jongeling, maar ‘halfvolwassene’ voelt voor mij als de perfecte omschrijving. Ook beter dan jongvolwassene, de term die Waslander gebruikt.

Het verhaal zal ik hier niet navertellen, maar de hoofdpersoon Arkadi is een jongen van 21, die in adellijke kringen verkeert, zonder zelf rijk te zijn. Des te brandender is zijn ambitie om net zo gefortuneerd te worden als de Franse bankier James Mayer de Rothschild. De lukt maar niet, vooral niet als hij het – net als Dostojevski zelf – gaat proberen in het casino.

Hoewel christelijke motieven een rol schijnen te spelen, gaat de roman eigenlijk alleen maar over geld. Hoe kom je eraan, hoe kom je er vanaf, waar zit nog een testament of legaat, welke partij is financieel de juiste om mee te trouwen? Enzovoort. De zedelijk levende mens, die Dostojevski er altijd bij haalt, bijt hier opmerkelijk vaak in het zand. Maar één ding is zeker: de jongeling gaat, ondanks alle pedagogische waarschuwingen, zijn ondergang tegemoet. Hij kan niet anders, hij wil leven, hij moet alles zelf ervaren. De wil daartoe is sterker dan wat dan ook.

Voor de anderen rest maar één hoop: de halfvolwassene wordt zelf ouder.

Meer over