ColumnAaf Brandt Corstius

De hele stad leek de afspraak te hebben gemaakt om zich in het lentegevoel te storten

null Beeld

In de stad heerste een rare sfeer, alsof corona niet bestond. Dat ik dat een rare sfeer noem is op zich ook raar; ik zou het een normale sfeer moeten noemen. In de stad heerste een normale sfeer; mensen zaten bier te drinken op bankjes en muurtjes, en voor de nachtclub aan de gracht stond een lange rij wachtenden te popelen om naar binnen te gaan.

Het was de nachtclub waar ik, toen ik zelf nog uitging, talloze keren in de rij had gestaan. Meestal moe en koud, want je kon nooit uitgaan voordat je eigenlijk te moe was om je huis te verlaten en alleen nog maar zin had om in je warme bed te kruipen.

Nu was dat anders; het was zes uur ’s avonds en die rij stond er al. Opgewonden mensen, kletsend en roepend naar elkaar, en langs de rij liep een dragqueen heen en weer die de wachtenden bezighield.

Een vrouw in de rij vertelde me dat ze meededen aan een wandeling waarbij je vijf nachtclubs mocht betreden. In die vijf nachtclubs mocht je telkens tien minuten dansen. ‘En dan móét je ook echt dansen!’, zei ze extatisch. Ik wenste haar veel plezier.

Eerder op de dag had het meisje van de brillenwinkel me verteld dat ik op Koningsdag mijn nieuwe bril kon komen ophalen. ‘Dat is prima’, zei ik, ‘er is toch niks te doen op Koningsdag.’

Ze keek me aan en zei: ‘Nou ja, behalve al die illegale feestjes dan.’

‘Ja, behalve al die feestjes dan’, zei ik. Ik wist van niks.

Het verklaarde de sfeer in de stad – kennelijk bereidden duizenden mensen zich voor op illegale feestjes. Je voelde het aan de trillingen, je zag het aan de mensen, het viel me ook ineens op dat er overal jongeren rondsleepten met kratten bier.

Mijn oma declameerde vroeger, als we bij haar logeerden en ze ons in bed had gestopt, altijd het gedicht Leo is ziek. Dat is een mooi gedicht van Han G. Hoekstra, ook het enige gedicht dat ik uit mijn hoofd ken, omdat mijn oma het zo vaak opzei als ik onder de brandschone, heerlijk strak ingestopte lakens van haar logeerbed lag. Het gedicht gaat over een jongetje dat bij zijn zieke vriend op bezoek gaat.

Ik dacht er nu aan. De hele stad leek de afspraak te hebben gemaakt om zich in het lentegevoel te storten, maar in mijn omgeving had de afgelopen dagen het noodlot toegeslagen, bij mensen van wie ik erg veel hou.

‘Buiten scheen de zon, een draaiorgel maakte muziek, maar ik dacht alleen maar: Leo, Leo is ziek.’

Meer over