COLUMNEva Hoeke

De eerste helft van mijn leven zat erop. Was ik zo zoetjesaan geworden wie ik wilde worden?

Beeld Aisha Zeijpveld

Ik liep door de supermarkt, laadde mijn kar vol koffie en koek, twijfelde tussen druiven en blauwe bessen, dacht aan wat komen ging, herinnerde mezelf aan de kadetten, had een binnenpretje en dacht: zo voelt dat dus, als dingen op hun plek vallen.

Ergens in juli was de onrust begonnen.

Hup, je hebt maar één leven, doe iets, dat gevoel.

Mijn beste vriendin lost dat op door om de zoveel jaar te verhuizen, maar daar ben ik te schijterig voor en bovendien is de woningmarkt nog altijd niet ingestort, zag ik toen ik voor de zekerheid op Funda keek. Wel had ik een week eerder ineens een derde gaatje in mijn oor laten schieten, een veeg teken als je 41 bent. Ik was er speciaal voor naar de juwelier gegaan. Vroeger fietste je na schooltijd naar de markt waar een standwerker met zwarte randen onder zijn nagels zonder verdere omhaal een gaatje door je oor knalde, hiero, da’s dan 10 gulden alstublieft, maar nu kreeg ik de keuze uit honderden knopjes en een flesje met kamille-extract voor de nazorg. Dat het zweet me niettemin op de neus stond zei me genoeg.

Doe iets mens, voor je vastroest!

Maar wat?

De eerste helft van mijn leven zat erop, de vraag drong zich op of ik zo zoetjesaan was geworden wie ik wilde worden. Ik had nooit echt gekozen, niet zoals anderen dat deden, de dingen waren gegaan zoals ze waren gegaan, kon je dan zeggen dat je je beste leven leefde? Deed ik wat ik wilde doen? En moest dat überhaupt, was werk ook niet vaak gewoon werk? Of werd het tijd om stappen te maken, stempels te drukken? Concreter: had ik goede zin in de dagen, maanden, jaren die voor me lagen?

Grote vragen.

Ik belde Guusje, mijn agent. Dat klinkt chiquer dan het is. Ze komt uut Emmen en heeft rood haar, prozaïscher vind je ze niet in de schrijverswereld, daarom doet ze goede zaken. Een maand eerder hadden we ons hangend boven een fles wijn bitter beklaagd, zalig was het, lekker schelden op corona en de dik betaalde boven ons gestelden, en daarna ook maar meteen een poosje op onze mannen, want zulke dingen gaan in één drukte door. Toen we uitgemopperd waren lag er een plan. In het kort: een cursus columns schrijven, bij mij thuis, aan de keukentafel. Kadetje kaas erbij, katten aaien, simple comme bonjour.

‘Ik hoop dat er iemand komt’, zei ik, de eeuwige aarzelaar.

Nou, ze kwamen.

Uit Limburg, uit Delft, uit Groningen, god weet waar ze vandaan kwamen maar ze kwamen, ze kómen, en dus trek ik tegenwoordig twee keer per week met een grote kar door de supermarkt, slepen de Man en ik ’s ochtends de keukentafel naar de woonkamer, zet ik bloemen en desinfecterende handgel neer en mag daarna geen gezinslid meer beneden naar de wc, en van de koek moeten ze ook afblijven. Die kop van hem, wanneer hij halverwege de cursus naar beneden komt voor een kop koffie en mij daar ziet zitten, aan het hoofd van de tafel, de mond vol over fouten en valkuilen, trucs en troeven, als een kip op haar eieren, innig tevreden, niet alleen met mijn klasje maar ook met mezelf, omdat ik voor het eerst in mijn leven niet heb afgewacht, maar iets heb gedáán. Zo zag hij me niet eerder, zegt hij als iedereen is vertrokken en de tafel weer op zijn plek staat, en ik zeg het hem voorzichtig na. Want als dit kan, wat kan er dan nog meer?

Les nummer zes: vind je vertelstem.

Meer over