COLUMNTom Hofland

De dubbele boodschap in mijn werk was zo helder dat ze het niet kon missen

Beeld Aisha Zeijpveld

Het eerste en enige boek waarbij ik ooit moest huilen gaat over de dichter Emile die in het laatste jaar van de middelbare school – min of meer – verliefd wordt op een brugklasser: Marte. Hij voelt zich toch ietwat pedofielerig en gaat niet op zijn gevoelens in, maar schrijft wel een gedicht waarin hij verkapt zijn liefde uit. Ze leest het, maar of ze het heeft begrepen? Dat blijft onduidelijk.

Jaren later, Marte is inmiddels 18, komen ze elkaar tegen op een schoolreünie. Nu gaat het gebeuren, hoop je, de kus. Maar vlak voor Emile in actie wil komen wordt Marte weggegrist door Willem, een oud klasgenoot van Emile en zijn literaire concurrent (een prozaschrijver, en dus bijna per definitie al succesvoller dan de dichter). Weer mist Emile zijn kans, en wéér schrijft hij een gedicht in de stille hoop dat Marte het zal lezen en haar in zijn armen zal drijven. Leest ze het? We weten het niet. Ze pleegt zelfmoord.

Willem, de pompeuze schrijver, komt jaren later met een vuistdikke roman: Een meisje uit mijn jeugd, waarin hij zijn korte relatie met Marte sensationeel, met veel nadruk op seks, beschrijft. Een foto van haar, genomen op de dag van haar dood, prijkt op de voorkant.

Niet alleen ontnam Willem dus Emile fysiek de kans om met Marte te zijn, maar nu overschaduwt hij ook nog in het literaire domein de verkapte liefdesbrieven van Emile. Ik geloof dat ik het op dat moment in de roman niet drooghield.

Ik was 17 toen ik Marte Jacobs van Tim Krabbé las en vond het toen vooral erg verdrietig voor Emile en Marte: misschien had zij met hem wél gelukkig kunnen zijn. Ik geloofde toen namelijk nog sterk in het bestaan van één ware liefde, en het was voor mij duidelijk dat Emile en Marte die gemist hadden.

Maar nu ik er op terugkijk, vind ik Emile eerder sneu op een andere manier. Sneu omdat de hele liefdesrelatie met Marte eenrichtingsverkeer was: van zijn hoofd naar het papier. De werkelijke Marte Jacobs heeft hij feitelijk nooit gekend. Oké, ze hebben een paar jaar met elkaar opgetrokken, maar zij was een kind. Naar de volwassen Marte kon hij alleen maar gissen. Zo bestond ze het overgrote deel van zijn leven voornamelijk in zijn gedachten, en soms in zijn werk, en we kunnen toch wel veilig stellen dat daar weinige echte mensen verblijven. Wie alleen liefdesgedichten schrijft, maar niet op iemand afstapt, is vooral verliefd op de poëzie zelf.

Tien jaar nadat ik mijn tranen droogde om Marte en Emile, schreef ik voor een literaire avond zelf een verkapte liefdesbrief, Snoesje. Maar ik zou niet dezelfde fout als Emile maken: ik kocht een kaartje voor mijn beoogde liefde en regelde dat ze in de zaal zat toen ik het moest voordragen. Ook zorgde ik ervoor dat de dubbele boodschap in mijn werk zo helder was dat ze het niet kon missen. Voor de zekerheid vroeg ik het na afloop nog even na. Ja, ze had het begrepen. Inmiddels wonen we samen en hebben we een kind. En ik moet zeggen: ik schrijf bijna nooit meer over haar. Ze leeft nu in mijn echte leven. Dat zorgt misschien niet voor mooi proza, maar daar heb ik haar liever dan op papier. Een verdeling die ik Emile en Marte van harte had gegund.

Meer over