null

ESSAY

De dood verdient een plek in ons leven

Beeld Nathalie Lees

Voor corona werd al het moois in het leven geschaard onder het motto ‘pluk de dag’. Zo achten we de sluiting van een wankel huwelijk belangrijker dan een mooi levenseinde. Hoog tijd voor een andere kijk op het leven (en de dood), vindt Sander van Walsum.

In 1936 betuigde de destijds 27-jarige prinses Juliana schriftelijk haar deelneming aan een vriendin wier dochtertje door verdrinking om het leven was gekomen. ‘En wat is een kort en gelukkig leven een voorrecht voor haar, dat ze heeft boven ons’, schreef Juliana. ‘Al hebben jij en ik ook nog zoveel geluk gevonden in ons leven, zij heeft helemaal nooit geen leed gekend.’ Met andere woorden: haar vroege dood had het kind behoed voor de lijdensweg die het leven per definitie is. Niettemin vroeg Jolande Withuis, auteur van de in 2016 verschenen biografie van Juliana, zich af ‘of de rouwenden Juliana’s poging tot troost als troost konden ervaren’. Vermoedelijk niet.

Leven en dood dansen als tweelingbroeders met elkaar, schreef Juliana, die deze metafoor had overgenomen van de Indiase dichter Rabindranath Tagore. Tachtig jaar na de condoleance struikelden veel recensenten van haar biografie (Vorstin in een mannenwereld) over de woorden waarmee Juliana probeerde haar diepbedroefde vriendin op te beuren. De kwalificaties liepen uiteen van ‘harteloos’ naar ‘wereldvreemd’. Voor het laatste is misschien wel iets te zeggen. Maar harteloos? Met beperkte retorische middelen – het moet gezegd – prees Juliana de dood aan als een verlossing.

Daarin klonk meer een hang door naar oosterse mystiek dan begrip (of belangstelling) voor de christelijke kennisleer. Volgens de Bijbel maakt de dood een eind aan elke kans op verlossing. Aan de hemelpoort zal de mens worden beoordeeld op wat hij in zijn leven heeft gedaan en nagelaten. Mogelijkheden voor een herkansing, in de vorm van reïncarnatie of anderszins, zijn er niet. De mens moet gedurende zijn leven Gods genade zien te verwerven.

De ontkerkelijkte samenleving heeft zich losgemaakt van dat hemels perspectief, dat vooral zou uitnodigen tot formele deugdzaamheid. Tot hypocrisie dus. Of tot het hanteren van dubbele standaarden. Toch geldt het leven op aarde als zaligmaker. Het leven is niet langer het voorportaal van de hemel, maar een doel op zichzelf. Het devies memento mori (‘gedenk te sterven’) heeft moeten wijken voor het levensmotto carpe diem (‘pluk de dag’).

Een mooi en troostrijk afscheid

Pluk de dag, dat is zo’n beetje de noemer van alles wat het leven in het precovidium de moeite waard maakte. Vrijdagmiddagborrels, festivals, winkelen, kroegentochten, theaterbezoek, etentjes, weekendtrips naar Europese hoofdsteden, verre vakanties – al deze vreugden waren collectieve vreugden. En ze hadden een enigszins demonstratief karakter: we konden ermee laten zien hoe goed het ons afging.

Maar bij de aanvang van het tweede jaar dat sterk door corona zal zijn getekend, hebben we niet zo veel aan carpe diem. Integendeel. Wie gewend is de dag te plukken, heeft er moeite mee om af te zien van vertier in groepsverband, en kan betere tijden niet in lijdzaamheid afwachten.

Zelfs de moderne uitvaart staat meer in het teken van carpe diem dan van memento mori. De enige rol die hierin vaak voor geestelijken is weggelegd, is die van ceremoniemeester. Niet die van de grote verhalenverteller die, zoals wijlen dominee Nico ter Linden het uitdrukte, op basis van ‘het mooiste script ter wereld’ leven en dood met elkaar weet te verzoenen. Vaak krijgen predikanten die een uitvaart verzorgen zelfs het verzoek om het níét over God te hebben. Want de overledene had het ook nooit over God.

De hedendaagse uitvaart heeft dus vaak een uitgesproken aards karakter. Familieleden, collega’s en vrienden van de overledene halen herinneringen op aan gezamenlijke avonturen, memoreren de maatschappelijke wapenfeiten van de overledene en roemen diens levenskunst (waarvan een zekere welstand de randvoorwaarde was). Een eventueel leven na de dood onttrekt zich aan het voorstellingsvermogen van mensen die niet met de Bijbel of met de taal van het geloof zijn opgegroeid – en dan heb je het onderhand over de uitdijende meerderheid van de Nederlandse bevolking. En de hoogmis op een voorbij leven wordt voortgezet tijdens de nazit: een aangeklede borrel of een afgeslankte high tea, waarbij de gesprekken al snel weer betrekking hebben op het hier en nu. Doorgaans is iedereen een uur of drie na aanvang van de plechtigheid wel weer thuis.

In de omgang met de dood zijn we nogal onthand geraakt. We kunnen er niets moois of troostrijks meer van maken. Tenzij aan de dood een lang en pijnlijk sterfbed is voorafgegaan. Dan kan de dood nog wel voor mild of bevrijdend doorgaan. Maar in de regel markeert hij slechts een verlies of (nog erger) een verloren gevecht. Tezelfdertijd hebben alle mensen de zekerheid van de dood met elkaar gemeen. ‘Sterven is doodeenvoudig’, zei René Gude, voormalig Denker des Vaderlands, op zijn sterfbed. ‘Iedereen kan het.’ Maar de rituelen rondom de dood zijn – in dit deel van de wereld althans – nogal sober in vergelijking met de viering van geboorten, jubilea, verjaardagen en (met name) huwelijken.

Intolerantie voor de dood

Eigenlijk is het eigenaardig dat het afscheid van het leven minder nadrukkelijk wordt gemarkeerd dan de bezegeling van een verbintenis waarvan de slaagkans welbeschouwd gering is. Eenderde van de in Nederland gesloten huwelijken wordt op enig moment ontbonden. In de Verenigde Staten, waar het huwelijk als instituut in hoog aanzien staat, schaalt een kwart van de gehuwden de eigen relatie als gelukkig in. In Nederland ligt dit percentage vermoedelijk niet veel hoger, al is het aan schommelingen onderhevig. Gehuwden zijn het minst gelukkig tijdens het spitsuur van hun leven, de jachtige jaren met schoolgaande kinderen. Daarna neemt het huwelijksgeluk weer enigszins toe. Maar toch: zo’n verbintenis vraagt meer om op hoop van zegen dan om voorbarige festiviteiten.

Dat de dood een vreemdeling is, heeft zelfs zijn weerslag op de manier waarop christelijke feestdagen in de seculiere samenleving worden gevierd. Voor de kerstdiensten liepen de mensen massaal uit (na corona zal dat ongetwijfeld weer het geval zijn). Maar Pasen en de Stille Week die daaraan voorafgaat, spreken minder tot de verbeelding. Wellicht omdat de kruisdood en de wederopstanding van Christus – de belangrijkste gebeurtenissen in het Nieuwe Testament – nogal ingewikkelde concepten zijn voor mensen die buiten de kerk zijn gesocialiseerd.

null Beeld Nathalie Lees
Beeld Nathalie Lees

Wij kunnen ons (gelukkig) niet meer voorstellen dat kindersterfte zo’n anderhalve eeuw geleden in dit deel van de wereld nog een alledaags verschijnsel was. Dat, zoals prinses Juliana het uitdrukte, de dood en het leven tweelingbroers waren. Het succes van de wetenschap lijkt overwegend te worden uitgedrukt in haar vermogen de dood te voorkomen, of anders wel uit te stellen. Een levensduur van honderd jaar of meer wordt als een medische verworvenheid en als een lonkend perspectief gezien, terwijl er toch veel voor te zeggen zou zijn om dit geschenk niet uit te pakken. Want zo leuk is het leven voor de meeste mensen niet. Voor Hegel was de geschiedenis ‘een slachtbank’. Daarbij doelde hij weliswaar op het komen en gaan van heersers en wereldrijken, maar de woeste bewegingen van de geschiedenis hebben – net als natuurrampen en pandemieën – ook een weerslag op het levensgeluk van individuen.

Toch is het leven een absolute grootheid. Onze intolerantie tegenover de dood neemt toe naarmate we de dood beter buiten de deur kunnen houden. Medisch-ethische discussies hebben vooral betrekking op rafelranden van het leven. Dan gaat het bijvoorbeeld om de toelaatbaarheid van euthanasie bij dementiepatiënten, over de vraag of hulp bij de beëindiging van een voltooid leven geoorloofd is, of over de inrichting van een triage voor coronapatiënten. Maar de principiële vraag of levensverlenging in het algemeen wenselijk is, komt maar zelden aan de orde. Moeten de medisch-biologische mogelijkheden om een mensenleven te verlengen altijd worden benut als het daardoor steeds moeilijker wordt om te bepalen wat een tijdige dood is?

De situatie waarvoor werd gevreesd bij de introductie van de Euthanasiewet zou weleens kunnen worden omgekeerd. Tegenstanders van de wet suggereerden dat levensbeëindiging bij ernstig zieke patiënten de norm zou worden als de dood ‘op bestelling’ kan worden geleverd. Niet de doodswens zou moeten worden verdedigd, maar de wens om verder te leven. Die dystopische situatie, die door de wetgever uiteraard niet werd beoogd, heeft in de praktijk geen moment gedreigd. Maar het is niet denkbeeldig dat het verlangen naar de dood steeds buitenissiger wordt naarmate de mogelijkheden toenemen om het menselijk lichaam te regenereren. Dat, met andere woorden, niet de wens om verder te leven moet worden verdedigd, maar de wens om op een geëigend moment te sterven. Het toenemend vermogen om te beschikken over dood en leven zou kunnen worden verengd tot het vermogen om slechts over het leven te beschikken.

Laat 120 niet het nieuwe 100 worden

Mogelijk kan een menselijk lichaam dankzij de periodieke vervanging van essentiële onderdelen ooit 150 jaar mee. Maar hetzelfde zal niet gelden voor de menselijke ziel, daarvan is het vermogen tot regeneratie begrensd. Als een mens na zijn 80ste geestelijk al lenig genoeg zou zijn om technologische ontwikkelingen, nieuwe sociale conventies en de wisselende humeuren van de tijd te volgen, is nog maar de vraag of hij dat ook zou wíllen. Want op een zeker moment leef je in een tijd die hoe dan ook de jouwe niet meer is. Van dat besef worden mensen niet gelukkiger.

Een jaar of vijftig geleden kwam de burgemeester nog op bezoek bij 80-jarigen. Tegenwoordig moet je toch zeker 100 worden om nog voor zo’n gelukwens in aanmerking komen. En daar kan het beter maar bij blijven. 120 moet vooral niet het nieuwe 100 worden. Ooit markeerde de dood de natuurlijke en enigszins voorspelbare begrenzing van een leven dat doorgaans zeventig tot tachtig jaren besloeg, daarop konden mensen zich mentaal instellen. Vanaf een zekere leeftijd, niet lang na hun pensionering, namen zij – zonder zich daar altijd van bewust te zijn – een voorschot op het naderende einde. Het werk was gedaan. Eventuele kinderen waren op weg geholpen, en grootouders hadden er nog getuige van kunnen zijn dat de kleinkinderen hun zwemdiploma haalden. Gaandeweg werd het stiller om hen heen en verloor een nieuw seizoen zijn bekoring.

Op een zeker moment voegt het leven niet zoveel meer toe aan wat je hebt meegemaakt. Dat is geen drukkende gedachte als de dood nabij is. Maar het kan wel een drukkende gedachte zijn als de winter van een mensenleven maar niet voorbijgaat. Uitzicht op een nieuw voorjaar hebben ouderen tenslotte niet. De dood zou niet uitgesteld, maar genormaliseerd moeten worden. Er zou vrijmoedig en blijmoedig over moeten worden gepraat, in de wetenschap dat het leven ook niet alles is. Als de dood de mens niet behoedt voor het lijden, zoals prinses Juliana meende, is ze wel de natuurlijke afsluiting van een mensenleven. Je hoeft er niet naar te verlangen om haar toch te verwelkomen.

Zelfs na een gelukkig leven – of misschien juist na een gelukkig leven – zou de dood ook best kunnen worden gevierd. Nog voordat het einde daar is, met de overledene in spe als stralend middelpunt. Bij die gelegenheid kan de balans worden opgemaakt van een leven waarvan tot op dat moment slechts tussenstanden konden worden opgemaakt. En als die laatste blik op een mensenleven tevreden stemt, is dat een betere aanleiding voor een feest dan een verjaardag, een jubileum of een huwelijk.