ESSAY

De coronadebatten hebben de echte ideeënstrijd in de Tweede Kamer de nek omgedraaid

null Beeld Rhonald Blommestijn
Beeld Rhonald Blommestijn

Coronadebatten gaan zorgwekkend weinig over Nederland ná de pandemie, ziet ­Ariejan Korteweg. Het is een symptoom van de vervaling van politieke kleuren die in de jaren negentig begon.

Het debat in de Tweede Kamer leek deze week aanvankelijk over de heropening van de basisscholen te zullen gaan, maar de onenigheid bleek vooral in bijzaken te schuilen: sinds wanneer mag de minister van Financiën onderwijsmaatregelen aankondigen? Want over de kern – dat de scholen weer open moeten – is politiek Den Haag het wel zo’n beetje eens.

Daarna leek het einde van de avondklok als centraal onderwerp in beeld te komen, maar de besluitvorming daarover werd voorbij het donderdagdebat getild. Dus werd het eerst een dag lang boos zijn over de datalekken bij de GGD. En kon aan het einde van het liedje iedereen toch weer een mikpunt vinden in minister Hugo de Jonge, of diens ministerie, of de GGD, of het RIVM of wie ook maar had bedacht het aantal toegediende vaccinaties ineens met 50 procent te moeten verhogen. Een efficiënte manier om ook de geloofwaardigheid van rapportages in twijfel te trekken.

In politiek opzicht was dit hiermee een zeer gemiddelde coronaweek. In Den Haag is vaak grote opwinding over coronagerelateerde onderwerpen. Denk aan de uitblijvende sneltesten of omvallende horeca – om over het tempo en de de volgorde waarin bevolkingsgroepen worden gevaccineerd maar te zwijgen. Met politiek heeft het doorgaans weinig te maken.

Zo kun je vreemde taferelen waarnemen in de Tweede Kamer. Een paar weken geleden liepen een paar Binnenhof-fotografen spiedend rond op de publieke tribune. Ineens richtten ze tegelijk hun lens op dezelfde scène in de plenaire zaal onder hen. Daar waren twee fractieleiders in gesprek, twee mannen die zich niet vaak in één beeld laten vangen: Geert Wilders en Rob Jetten.

Het was tijdens het coronadebat van drie weken geleden, de avondklok was bezig uit te groeien tot het hoofdonderwerp van het debat van die dag. Wilders was daar faliekant tegen, hij vindt zoiets een aantasting van de vrijheid. Bij het begin van het debat zei hij: ik hoop op de heer Jetten te kunnen rekenen. En zo ging het. Jetten herinnerde zich zijn liberale beginselen en hield woord, eendrachtig trokken PVV en D66, rechts-populisten en sociaal-liberalen, op tegen het plan een avondklok in te voeren. Althans, voor zolang het duurde.

Coronadebatten zijn sinds het begin van de pandemie uitgegroeid tot (twee)wekelijkse Algemene Politieke Beschouwingen. Er is door de beperkende maatregelen maar weinig mogelijkheid om te debatteren. Gevolg daarvan is dat de debatten een verzamelfunctie hebben gekregen. Dat voelt logisch. Het virus beïnvloedt alles: lichamelijke en geestelijke gezondheid, onderwijs, economie, cultuur, veiligheid, transport. Geen beleidsterrein blijft ongemoeid en de samenhang is groot. Dat vraagt om generale debatten; we zijn inmiddels al toe aan aflevering 24. Doorgaans zijn het de grote tenoren zelf – Wilders, Klaver, Heerma, Marijnissen, noem maar op – die in debat gaan met Mark Rutte en Hugo de Jonge, en vaak nog andere ministers. Fractieleiders doen zodoende aanzienlijk meer plenaire debatten dan in een gewoon parlementair jaar.

Het volgen van die debatten is geen onverdeeld genoegen. Ze duren lang. Zelfs als afspraken worden gemaakt over de beperking van spreektijden en interrupties gaat het altijd tot in de avonduren door. De woordvoerders vervallen vaak in herhalingen, zowel van zichzelf als van anderen, en naarmate de verkiezingen naderen gaan ze de debatten zien als gratis zendtijd voor politieke partijen. Al die tijd worden in vak K, waar de regering zit, bewindspersonen gegijzeld van wie je vermoedt dat ze op hetzelfde moment andere dingen zouden kunnen doen die minstens zo nuttig zijn.

Er wordt gesteggeld over de moeizame corona-app, de levering van mondkapjes, het regelen van teststraten, het bestellen van vaccins, het coördineren van de vaccinatie, het inhuren en opleiden van personeel, het transport van vaccins en de temperatuur waarbij die moeten worden bewaard, de kwaliteiten van de verschillende vaccins, de noodzaak van het sluiten van de horeca, van scholen, van parken, de rol van sportscholen, boekhandels en vuurwerk bij de virusverspreiding, het vliegverkeer met omliggende landen, sneltesten op Schiphol en ga zo maar door.

Boter op het hoofd

Allemaal belangrijke kwesties, dat spreekt. Maar als je politiek beschouwt als een strijd van ideeën en overtuigingen, een vertaling van principes en levensbeschouwingen naar regelgeving en praktisch handelen, dan is het armoe troef. Coronadebatten zijn een vorm van management, het is de sublimatie van de bv Nederland, van ‘de zaak’ die gerund moet worden, om met Rutte te spreken.

In een coronadebat worden de directeuren van een onderneming aan de tand gevoeld door hun raad van commissarissen. Voorraden, moraal, innovatie, transport – naar alles wordt geïnformeerd. Er worden adviezen en waarschuwingen uitgedeeld. Vaak, en dat is typerend voor de rol die de Tweede Kamer zich aanmeet, tot ver achter de komma. Kan de Kamer daar een wekelijkse rapportage van krijgen? Kunt u garanderen dat de koelvoorzieningen op orde zijn? Kan de tijd tussen eerste en tweede prik een weekje korter of juist langer?

De Kamer eist garanties en toezeggingen, wil tot op de dag nauwkeurig weten wat er gebeurt, hoeveel voorraad er is, wie wanneer wordt gevaccineerd, bepalen wie een geschikte coronacommissaris zou zijn. Daarmee laadt de Kamer ook boter op het eigen hoofd. Hoe wordt hier over een paar maanden op teruggekeken? Als al die Europese verschillen weer zijn glad getrokken, vinden we dit dan nog steeds terechte kritiek op een falende regering, of zit er muggenzifterij bij?

Ultrakorte termijn

Het zijn geen debatten, het zijn overleggen tussen functionarissen, die op een andere plek dan in de plenaire zaal van de Tweede Kamer zouden moeten worden gevoerd. Alleen de soms hoge toon doet aan politiek denken. Politieke verschillen doen hier zelden ter zake. Het gaat om uitvoering en niets meer dan dat. De minister heeft gefaald, de minister kan beter, de minister ziet er vermoeid uit – allemaal managersgedoe. Zodoende kunnen Wilders en Jetten moeiteloos samen optrekken, of Wilders en Klaver als het om het trage vaccineren gaat, of de PVV en D66 bij de datalekken.

In ruimere zin doen de coronadebatten denken aan de toeslagenaffaire, aan de afhandeling van de aardbevingsschade in Groningen of aan de debatten over persoonsgebonden budgetten. Als eenmaal geconstateerd is dat de overheid ernstig tekortschiet, verdwijnen politieke verschillen en gaat het alleen nog om lijfsbehoud. Daarom kunnen Renske Leijten, Pieter Omtzigt en Farid Azarkan – politici van uiteenlopende partijen als SP, CDA en Denk – zo gemakkelijk samen optrekken in de toeslagenaffaire. In het zicht van onrecht verdampen de verschillen tussen links en rechts, insiders en outsiders.

Geweldig natuurlijk zoals de Kamer daar zijn rol heeft opgepakt als controleur van de regering, als tegenkracht van het kabinetsbeleid. Prachtig dat Omtzigt een lesje staatsrecht gaf aan iedereen die wilde luisteren. Maar de Kamer heeft nog een andere functie. Het is de arena waar een botsing van wereldbeschouwingen moet plaatsvinden, waar strijd moet worden geleverd over de inrichting van het land, over de verdeling van schaarse middelen, over kansengelijkheid.

null Beeld Rhonald Blommestijn
Beeld Rhonald Blommestijn

Of, om het naar het coronadebat te vertalen: om de vraag te stellen of de doorstart, die ergens in een niet eens zo heel verre toekomst staat te gebeuren, gevolgen moet hebben voor de inrichting van ons land, ons staatsbestel, onze afspraken op sociaal, cultureel, economische gebied, onze omgang met natuur en milieu. Hoe stellen we ons Nederland na de pandemie voor? Het coronavirus is een contactvloeistof, hoorde je in het begin van de uitbraak nog wel eens iemand zeggen: het wijst haarfijn aan waar de zwakke plekken van onze samenleving zitten. Worden de weeffouten die zichtbaar werden straks hersteld, of pakken we de draad op waar we gebleven waren? Iets van die vraag klinkt door in die andere variant van de coronadebatten, als het gaat om economische steunpakketten. Ook dan is het mondjesmaat. Voor het overige komt de wereld na corona niet aan bod, alles speelt zich af op de ultrakorte termijn.

De echte ideeënstrijd is achter de horizon verdwenen. Dat is niet van vandaag of gisteren. Zeker sinds de paarse kabinetten van de jaren negentig zijn de tegenstellingen afgezwakt en is de politieke bandbreedte versmald. Van een afstandje bezien bestaat het hele constructieve middenblok van de landspolitiek uit nuances van dezelfde kleur. Ieder met eigen accenten om het voortbestaan te rechtvaardigen, waardoor debatten over de inrichting van zorg en onderwijs, over medisch-ethische kwesties of energie en landschapsbeheer nog steeds een ideologische lading kunnen krijgen.

Een lading waarvan je bij de coronadebatten hooguit een schim ziet. Zoals wanneer Gert-Jan Segers (CU) de vraag stelt of we niet ook moeten bijdragen aan de vaccinatie in ontwikkelingslanden. Of Denk en SGP samen optrekken om van vaccinatie geen verplichting te maken. Dat zijn uitzonderingen in het land van koekoek één zang.

Afwijkend geluid

Er zijn partijen die zich aan die consensus onttrekken. Al kun je je afvragen of de manier waarop Forum voor Democratie weigert het virus serieus te nemen, en nog steeds hardnekkig van ‘een flinke griep’ spreekt, wel echt een ideologische lading heeft, of vooral wijst op een ontembaar verlangen naar een afwijkend geluid, ook als dat leidt tot een alternatieve lezing van onomstotelijke feiten.

Radicaal politiek is wel de benadering van de Partij voor de Dieren, die corona telkens weer presenteert als de eerste van een lange reeks zoönosen die ons nog te wachten staan, voortkomend uit onze omgang met de natuur en de manier waarop onze voedselvoorziening is ingericht. De nertsenhouderij is een geliefd voorbeeld daarbij, net als de intensieve veehouderij. Als de PvdD wijst op het belang van het treffen van voorbereidingen op de pandemieën die nog kunnen komen, knikken de bewindspersonen instemmend, zonder dat dit tot dusver tot enige beleidsinspanning heeft geleid.

Een paar dagen voor het ingaan van de avondklok eindigde dat onderonsje van Wilders en Jetten trouwens in een genante affaire. Jetten had inmiddels begrepen dat hij ondanks de demissionaire toestand van het kabinet toch geacht bleef coronabeleid te steunen. Er lagen nog wat dubbeltjes wisselgeld, in de vorm van hoe laat de avondklok dan wel moest ingaan. Het monsterverbondje van PVV en D66 van een week eerder werd spoorslags ontbonden. Men ging er een hele dag over vergaderen, van kwart over 10 tot 5 uur. Aan het eind van de dag was de begintijd van de avondklok een half uur opgeschoven, van half 9 naar 9 uur.

Met principes of overtuigingen hebben de coronadebatten amper wat te maken – en ook niet met sociaal-democratie, liberalisme, nationalisme of christen-democratie. Het is een politiek ritueel met, afhankelijk van de eigen vertrekpositie, profileringsdrang en schadebeperking als inzet. De afloop is vaak navrant en de bijvangst hemeltergend: er raken weer wat mensen vervreemd van de politiek. Ook dat is, helaas, typerend voor coronatijden.

Meer over