ColumnArnon Grunberg

De comeback van het hoesten

null Beeld

Onlangs verscheen Hannah Arendts Antisemitisme in Nederlandse vertaling. Ze schreef een ander essay met dezelfde titel en licht overlappende inhoud, maar dat terzijde.

Vanwege deze uitgave was een gemêleerd gezelschap samengekomen in de Aula aan het Spui in Amsterdam. Jurist Hans Ulrich Jessurun d’Oliveira (88) had prachtige schoenen aan en hield een energiek betoog over vertaalfouten.

Ronit Palache kreeg tijdens haar inleiding zo’n hoestbui dat ik het ergste vreesde, maar de frivole hypochonder doet dat dagelijks zonder er verder consequenties aan te verbinden.

Yolande Jansen, bijzonder hoogleraar humanisme, meende dat er historisch gezien wat viel af te dingen op Arendts betoog, dat haar bronnen niet altijd zuiver waren. Ja, de onzuivere bronnen.

‘De groep houdt niet simpelweg op medeverantwoordelijk te zijn omdat ze het slachtoffer werd van ’s werelds onrecht en wreedheid’, schrijft Arendt aan het begin van haar essay. De passiviteit die kleeft aan slachtofferschap betekent niet dat het slachtoffer gedetermineerd was om slachtoffer te worden.

Lijden is tegenwoordig – secularisatie of geen secularisatie – weer zingeving, dan blijkt ook slachtofferschap zingeving. Geen onverdeeld gunstig scenario.

Tijdens de discussie na afloop verstomde het hoesten.

Rond tien uur was de Aula leeg, een kwartier later was ik in een bar waar mijn vriend de biograaf op me wachtte. Zijn onderwerp was een dode schrijver.

‘Hoe was Arendt?’ vroeg hij.

‘Het gehoest verstomde’, antwoordde ik. Meer mag een spreker nauwelijks verwachten.

Hij vertelde dat zijn biografie in 2024, 2027 of 2029 zou zijn afgerond, hij keek er weemoedig bij.

De biograaf verzwolgen door zijn onderwerp, een mooi verhaal, maar het was al geschreven, alleen door wie?

Verderop in de bar werd gehoest. De comeback van het hoesten.

‘Ik richt me op 2027’, zei de biograaf.

‘We zullen wachten met sterven’, antwoordde ik. ’s Avonds na tien uur kan wat blinde hoop geen kwaad.

Meer over