InterviewSpencer Ackerman

De Amerikanen zijn weg uit Afghanistan, maar de War on Terror gaat door, zegt journalist Spencer Ackerman

null Beeld Ryan Olbrysh
Beeld Ryan Olbrysh

Het vertrek van de troepen uit Afghanistan is níét het einde van een ­tijdperk, zegt de Amerikaanse journalist Spencer Ackerman. Het geloof van Amerikanen in de eigen uitzonderlijkheid en hun angst voor ‘de ander’ zullen na twintig jaar niet zomaar verdwijnen.

‘Nee, de War on Terror is niet voorbij’, zegt Spencer Ackerman. Hij is net gaan zitten op een terras in Brooklyn, New York. Zijn grote zwarte zonnebril met goudkleurige omranding heeft hij op tafel gelegd. Geen tijd voor smalltalk. Thuis wacht een baby. ‘President Biden heeft gezegd dat hij het recht heeft om bombardementen uit te voeren en te blijven surveilleren in Afghanistan.’

Maar de oorlog is toch voorbij? De Amerikaanse troepen zijn toch weg uit Afghanistan?

‘Dat zegt niet alles.’ Hij haalt diep adem. ‘In Guantanamo Bay zitten nog steeds mensen voor onbepaalde tijd vast. Zolang dat zo is, kun je het geen einde van een tijdperk noemen.’

De 41-jarige Spencer Ackerman geldt in de Verenigde Staten als een invloedrijk en uitgesproken journalist. Op televisie en in podcastshows is hij een belangrijke ‘talking head’ over de oorlog. Zeker sinds de juichende ontvangst van zijn tweede boek, Reign of Terror – How the 9/11 Era Destabilized America and Produced Trump, dat in augustus verscheen.

Zijn boek is een lijvige samenvatting van de twintig jaar die zijn verstreken sinds de aanslagplegers van 11 september met vliegtuigen het World Trade Center in New York en het Pentagon in Washington aanvielen, de symbolen van de Amerikaanse economische en militaire macht. Alleen al de bronnenlijst telt 70 pagina’s. Toch begint zijn nawoord met: ‘Ja, ik weet het, dit boek is niet compleet.’ Er valt ook zo veel te vertellen.

Sinds het begin van de oorlog in Afghanistan in oktober 2001 volgt Ackerman de Amerikaanse inlichtingendiensten op de voet en deed hij onderzoek naar de Amerikaanse martelmethodes van opgepakte terreurverdachten. Hij bezocht Guantanamo Bay, deed verslag vanuit Irak en Afghanistan, sprak met slachtoffers van Amerikaanse droneaanvallen in Pakistan. Zijn werk verscheen in The Guardian, Wired en de laatste jaren op nieuwssite The Daily Beast. In 2014 won hij een Pulitzer, de prestigieuze Amerikaanse journalistiekprijs, na onthullingen over Amerikaanse afluisterpraktijken, gebaseerd op lekken van klokkenluider Edward Snowden.

Er is veel kritiek op de wijze waarop Joe Biden de terugtrekking uit Afghanistan heeft uitgevoerd. Wat vindt u daarvan?

‘Kritiek op de chaos rondom het vertrek is terecht. De Amerikanen hebben Afghanistan jarenlang gedestabiliseerd en nergens verantwoording voor afgelegd. Heel symbolisch wilden ze hun troepen op 11 september weg hebben, twintig jaar na de aanslag. Dat is met opzet gedaan en misleidend, omdat het nog niet voorbij is.

‘Wat misgaat, is dat de kritiek zich alléén richt op de evacuaties en niet op het menselijk leed dat gedurende de hele oorlog is aangericht. Veel critici zaten de afgelopen twintig jaar namelijk zelf op belangrijke posities en hebben zélf fouten gemaakt. Door nu Biden aan te vallen, zijn ze hun eigen zonden aan het witwassen. Ze doen alsof ze om het lijden van de Afghanen geven, maar als je voorstelt om vluchtelingen op te nemen, zeggen ze: nee. Dit is een terugkerend patroon in de oorlog tegen terrorisme. Niet de elites die de keuzes maken lijden onder de gevolgen, maar gewone mensen.’

Nadat president George W. Bush Afghanistan was binnengevallen in de jacht op het brein achter de aanslagen, Al Qaida-leider Osama bin Laden, was het vrijwel onmogelijk kritiek te hebben op die oorlog, meent Ackerman. Mensen die het een slecht idee vonden, stonden aan de kant van de extremisten – de vijand – en werden met een term van nu ‘gecanceld’, volledig afgeserveerd. ‘Je staat aan onze kant, of aan de kant van de terroristen’, hield de Republikein Bush de wereld voor in een toespraak tot het Congres.

Onder Democraten was er terughoudendheid om zich te keren tegen een oorlog die werd gevoerd ‘voor het behoud van Amerika’s vrijheid’. Feministen die zich tegen de bombardementen wilden uitspreken, werd verweten dat ze dus het geweld goedkeurden dat de Taliban vrouwen aandeed.

Het wantrouwen tegen moslims en andere groepen in Amerika nam intussen toe. Kinderen met een islamitische achtergrond werden Osama genoemd door klasgenoten. Ook gingen antisemitische complottheorieën rond, zoals dat Joodse werknemers met een kantoor in het World Trade Center elkaar hadden gewaarschuwd om op 11 september thuis te blijven en zo de aanslagen hadden overleefd.

‘Steeds meer mensen werden verdacht gemaakt’, zegt Ackerman. ‘Eerst de moslims, daarna ook andere critici van het beleid, linkse mensen. Hoe langer deze oorlog duurde, hoe meer leugens er over anderen moesten worden bedacht om te verbergen hoe nutteloos die was.’

Amerikaanse beleidsmakers konden zich veel veroorloven, schrijft u, vanwege het geloof in het Amerikaans exceptionalisme. Volgens u ligt dat ten grondslag aan de oorlog tegen terrorisme. Wat bedoelt u daar precies mee?

‘Het gaat om het idee dat Amerika een uitzonderlijk land is, gekozen door God, en een bepaalde verantwoordelijkheid denkt te hebben voor de mensheid. Het maakt dat Amerikanen denken dat ze dingen mogen doen die anderen niet mogen. Als exceptioneel land mag je eisen stellen aan andere samenlevingen, ook al houd je je daar zelf niet aan. Je hebt zulke ideeën over jezelf nodig om landen binnen te kunnen vallen en andere landen te domineren. Zij zijn de barbaren, wij zijn goed, dus we hebben vrij spel.’

Hoe krijg je dat als Amerikaan mee?

‘Het zit diep verankerd in onze cultuur. Je krijgt het soms subtiel mee, soms heel expliciet, bijvoorbeeld door hoe je leert te praten over andere landen en gemeenschappen. Op school leer je dat Amerikaanse interventies goed zijn, maar niets over de gevolgen. Zij zijn de slechteriken, dus dat doet er niet toe, ook al kost het honderdduizenden mensenlevens. Als je naar de geschiedenis van de VS kijkt, is dat nooit echt anders geweest.

‘Het leven van miljoenen Native Americans, de oorspronkelijke bewoners van het continent, mocht worden verwoest. Afro-Amerikanen mochten als slaven worden uitgebuit, zodat dit exceptionele land zichzelf kon opbouwen en ontwikkelen. Machthebbers zagen slavernij lange tijd als een beschaafde manier van ondernemen. Aan het einde van de 19de eeuw zie je dat Amerika zich steeds meer op het buitenland gaat richten en andere landen gaat binnenvallen en domineren. Dat recht heeft het nu eenmaal, omdat het zo exceptioneel is.’

President Obama wilde het beeld van de VS in de wereld veranderen. Hij durfde kritisch te zijn op dat exceptionalisme. Kiezers wisten dat en hij won de verkiezingen. Willen Amerikanen toch geen afscheid nemen van het exceptionalisme?

‘Obama heeft een beroemde uitspraak hierover: ‘Natuurlijk geloof ik in Amerikaans exceptionalisme, op dezelfde manier als Grieken in Grieks exceptionalisme geloven.’ Op papier bekritiseerde hij het, maar in de praktijk kwam daar minder van terecht. Zijn vele droneaanvallen in Pakistan bewijzen dat hij óók vond dat je mensen in overzeese gebieden mag doden wanneer je dat nodig acht. In 2010 zijn er door bombardementen drie Afghaanse dorpen van de kaart geveegd. Hoewel Obama bij de verkiezingen in 2008 het anti-oorlogssentiment onder kiezers wist te kanaliseren, lieten zijn acties iets anders zien.’

Ook zijn opvolger, president Trump, was in zijn retoriek heel uitgesproken tegen de oorlog.

‘Eenmaal aan de macht voerde ook hij het tempo van de bomaanvallen op, terwijl hij zich tijdens campagnetoespraken juist heel negatief uitliet over die ‘domme oorlogen’. Het laat zien hoe impopulair die oorlog was onder kiezers. Maar ondanks dat we in een democratisch land leven, is ons buitenland- en veiligheidsbeleid niet heel democratisch georganiseerd. Er wordt goed naar belanghebbende bedrijven in de defensie-industrie geluisterd. Dat verklaart de discrepantie tussen wat de presidenten zeggen en wat ze doen.’

Amerikanen zijn volgens Ackerman de oorlog in gemanipuleerd door de regering. Na 9/11 moesten mensen hun woede en verdriet kwijt, zegt hij. Ze waren getraumatiseerd door de aanslagen, zeker hier in New York.

‘We zagen onze buren levend verbranden. Leiders speelden daarop in. Er werd gezegd dat terroristen onze vrijheid haatten en onze open samenleving wilden vernietigen. Wat ze niet in de gaten hadden, was dat die open samenleving in naam werd verdedigd, maar in werkelijkheid beknot. De open samenleving had het mogelijk gemaakt dat de vliegtuigkapers het land konden binnenkomen. In antwoord daarop is een systeem van massasurveillance opgezet, waarbij telefoons en e-mailverkeer ruim zijn afgetapt, tegen de regels van de grondwet in. Martelingen zijn toegestaan.’

De noodtoestand veranderde gaandeweg in een nieuwe status quo. Door de paranoia die de politieke elite zelf had helpen creëren, schrijft Ackerman in Reign of Terror, kwam ze met alles weg.

Je kunt ook zeggen dat het de taak van de regering is om Amerikaanse burgers te verdedigen. Het harde beleid heeft de dreiging van terreur ingedamd. Er zijn sinds 9/11 geen grote terreuraanslagen geweest in de VS.

‘Niet zo groot als 9/11, nee, maar die aanslag was ook uitzonderlijk. Logistiek gezien moet er veel lukken wil je zoiets laten slagen. Maar er hebben wel degelijk veel aanslagen plaatsgevonden, verspreid over het land. Neem de schietpartij in El Paso gericht tegen latino’s: 23 doden. Een antisemitische aanslag in een synagoge in 2018: 11 doden.

‘Terreur is nog steeds onderdeel van ons leven. Maar de War on Terror heeft ons geleerd dat het pas echte terreur is als moslims die uitoefenen. Terwijl Amerikaanse burgers werden ‘beschermd’ door een oorlog te beginnen tegen Afghanistan en Irak, was er geen aandacht voor de interne dreigingen waarmee ze te maken hadden.’

Waar doelt u dan op?

‘Witte terreur is zo normaal dat mensen het niet eens als echte terreur beschouwen. Daarom lijkt het alsof er geen aanslagen hebben plaatsgevonden in de VS. Deze daders worden niet als terroristen gezien, maar als ‘mensen met foute gedachten’. Neem de groep die in januari het Capitool binnenviel. Velen beschouwen hen als ‘patriotten’ die het heft in eigen hand hebben genomen: ze zien hen als anti-terroristen, geen terroristen.

‘De War on Terror werkte in Irak en Afghanistan juist precies andersom: die criminaliseerde mensen vanwege de foute ideeën die ze hadden, ook als ze nog geen geweld hadden gepleegd. De veronderstelling dat dat mogelijk in de toekomst zou gebeuren, was al genoeg reden om ze als daders te zien.’

De oorlog tegen terrorisme heeft in de Verenigde Staten de angst voor ‘de ander’ aangewakkerd, volgens Ackerman, en dat zette de deur open voor een leider als Donald Trump. Hij stelde mensen aan die zich openlijk islamofoob hadden geuit, zoals Russell Vought, die begrotingsdirecteur werd van de zogenoemde ‘Office of Management and Budget’ van het Witte Huis. En Mark Kevin Lloyd, die een belangrijke functie kreeg bij USAID, de koepel voor ontwikkelingshulp.

Trump vergeleek migranten met verkrachters. Sprak zich racistisch uit over zwarte Amerikanen. Over Ilhan Omar, een islamitisch Congreslid uit Minnesota met een Somalische achtergrond, zei hij: ‘Send her back!’ De grenzen van wat gangbaar was werden steeds verder opgerekt. ‘De oorlog tegen terrorisme is niet de enige verklaring voor het succes van Trump’, zegt Ackerman. ‘Zie het als de lijm die alle andere redenen met elkaar verbindt.’

Denkt u dat de Amerikaanse machthebbers wel lessen hebben getrokken uit deze oorlog?

‘Ik denk dat ze er alles aan zullen doen om geen lessen te hoeven trekken uit de oorlog. Ik denk wel dat de bevolking dat kan eisen. Dat Biden wist dat hij echt weg moest uit Afghanistan, laat zien dat hij die druk vanuit de samenleving wel degelijk voelde, hij kon niet nóg langer blijven. Ik ben ervan overtuigd dat het mogelijk is om het politieke systeem te veranderen. Maar dat zal niet gemakkelijk gaan. Ik vestig mijn hoop op de linkervleugel van de Democratische Partij. Die durft de regering wel te wijzen op de fouten die er de afgelopen twintig jaar zijn gemaakt. Zij weten heel goed dat Amerika niet exceptioneel is.’

Meer over