ColumnMax Pam

De algehele verweking van ons land is bij mij begonnen. Althans, bij ons babyboomers

null Beeld
Max Pam

‘Vroeger hoorde het erbij, nu is het goed voor code rood’, luidde dinsdag de kop boven het illustratieve artikel van Sander van Walsum over de wijze waarop Nederland een weekje sneeuw en ijs heeft doorstaan. Er zijn mensen die terugdeinzen voor het woord ‘vroeger’, maar bij het ouder worden begint het steeds meer tot het normale vocabulaire te horen. Dat is niets om je voor te schamen.

In mijn zwakste momenten – en dat zijn er steeds meer – denk ik dat de algehele verweking van ons land en die van onze jeugd in het bijzonder bij mij is begonnen. Althans bij mijn generatie van de babyboomers, voor wie ik graag nog wat extra schuld op de schouders wil torsen.

Mijn verhaal begint bij de huisarts van jeugd, dokter Meijer Zak. Hij was een kleine Joodse man met een kolossale, kaalgeschoren schedel. Dat kale was in die tijd uitzonderlijk. Hij had met mijn vader op de hbs gezeten. Mijn vader was de journalistiek ingegaan en Meijer was medicijnen gaan studeren, maar zij waren altijd bevriend gebleven. In mei 1940 probeerden zij beiden naar Engeland te ontkomen, wat mijn vader niet lukte maar Meijer wel. In Londen sloot hij zich aan bij de Irene-brigade, hij deed mee aan de invasie op de Normandische kust, waar hij gewond raakte, zodat hij de rest van zijn leven lichtelijk mank bleef lopen. Meijer was een echte mannetjesputter, die je niet makkelijk tegensprak.

Hij heeft me als kind schaken geleerd, toen ik een keer met een hersenschudding het bed moest houden. Later ontdekte ik dat hij voor het geallieerde schaakteam had gespeeld dat onder leiding stond van dr. Xavier Tartakower, een Pools-Franse grootmeester die het in WO I tot luitenant had gebracht en die in WO II nog net op tijd Parijs was ontvlucht om zich in Londen aan te melden bij het bevrijdingsleger van De Gaulle. Allemaal heerschappen waar wij thuis hoog tegenop keken.

En toen kwamen de jaren zestig. Dat was de tijd van love and peace. Niettemin ontving ik een oproep voor militaire dienst. Geen van mijn vrienden had aan die oproep gehoor gegeven, want het was toen een algemene sport je te laten afkeuren. Het argument dat je met een zogeheten S5 – geestelijke instabiliteit – niet meer bij de overheid zou kunnen werken, weerhield mijn generatie niet. Integendeel, het leek eerder een aanbeveling. In mijn geval lag er evenwel een groot probleem.

Meijer Zak was, behalve onze huisarts, ook het hoofd van de Militaire Keuringsdienst geworden. Mijn slappe houding inzake het leger zou onafwendbaar op zijn bureau terechtkomen. Ik herinner mij nog de avondlijke vergaderingen waarin mijn vader en Meijer de zaak bespraken, want intussen had ik ook gedreigd mij anders als dienstweigeraar te melden. Ten slotte heeft Meijer me afgekeurd met een Osgood Schlatter, een fysiek euvel waar ik nog nooit van had gehoord, maar dat een vergroeiing aan de knie behelst. Je schijnt daar na je 80ste last van te kunnen krijgen. Nadien heeft Meijer Zak nooit meer met me geschaakt en ik durfde hem ook niet meer onder ogen te komen. Ik behoor dus niet tot de patatgeneratie, maar tot de Osgood-Schlattergeneratie.

Voor de afschaffing van de militaire dienst moet het ergens zijn begonnen. In die tijd vroor het nog zo hard dat er ijsbloemen op de ramen stonden. Mijn zoon heeft die nog nooit gezien. Hij behoort trouwens tot de generatie die het ‘mentaal erg zwaar’ schijnt te hebben, omdat ze niet meer naar festivals kunnen. Uit verveling leest hij boeken, nou ja, zeg! Ik probeer hem ervan te overtuigen dat hij het moet zien als een tussenjaar dat niet is doorgegaan. Anders was je in Cambodja op een brommer tegen een boom gereden, was je in Australië beroofd of had je je op Ibiza een coma gezopen. Hoe nuttig ook in termen van levenswijsheid, het is nu even niet gebeurd. Hoe erg is dat?

Psychologen slaan alarm en ondernemers die hun discotheek gesloten moeten houden, gaan maar al te graag mee in het verhaal dat jongeren hun jeugd wordt ontstolen. Volgens Hans Boutellier, bijzonder hoogleraar polarisatie en veerkracht, moeten wij ‘ons hoeden voor de makkelijke conclusie dat we allemaal slapjanussen zijn geworden’. Het klinkt als een niet-echte professor in een carnavaleske leerstoel – daar gaan we vast de oorlog niet mee winnen.

Sander van Walsum schrijft dat in de barre winter van 1963, toen Reinier Paping de Elfstedentocht won en je op de Noordzee kon schaatsen, de krant gewoon werd bezorgd. Digitale watjes stoppen hem nu in de computer. Allemaal mijn schuld en die van mijn generatie. Ik beken: ik heb niet geleefd.

Meer over