COLUMNLOES REIJMER

De aanklacht tegen Joe ­Biden creëert een ­gekmakend dilemma

In de Verenigde Staten wordt momenteel druk gezocht. In gaten, kieren en donkere hoekjes. Onder de bank en boven op de kast. Soms trekt iemand een wasmachine open, steekt het hoofd in de trommel en roept: waar zijn ze, verdomme?!

‘Ze’ zijn dan ‘de’ feministen, want om een of andere reden staat er altijd ‘de’ voor het woord feministen, alsof het om een eenvormige, duidelijk afgebakende groep vrouwen gaat, te herkennen aan hun vlassige snorretje en een doos suikervrije haverkoeken onder de oksel.

Nu Joe Biden is beschuldigd van seksueel grensoverschrijdend gedrag hoor je ze niet meer, klinkt het in Amerika en daarbuiten. Altijd een grote mond, maar als het erop aankomt geven ze niet thuis. Joe-hoe, feministjes, reageer-eens.

Een beetje gekke reflex is dat wel. Alsof we niet maatschappijbreed hebben afgesproken dat het fout is om, ik noem eens wat, in iemands onderbroek te graaien. Iedereen zou dit soort gedrag moeten veroordelen, maar blijkbaar rust die verantwoordelijkheid op de schouders van maar één specifieke groep. Persoonlijk ben ik ook wel benieuwd wat het gilde van brave huisvaders van de mogelijke misdragingen van Biden vindt, of de biljartclub van gepensioneerde mannelijke senatoren, of oud-president Barack Obama, maar die wordt weer eens niets gevraagd. De overweldigende aandacht voor het vrouwelijk perspectief heeft vermoedelijk niet eens zoveel met de waardering ervan te maken, maar meer met de menselijke obsessie met hypocrisie. Niets is lekkerder dan de ander betrappen op inconsistent gedrag, immers.

Dit allemaal gezegd hebbende, het ís natuurlijk wel van belang dat feministen en vrouwenorganisaties aandacht hebben voor het verhaal van Tara Reade, de vrouw die in de jaren negentig werkte voor Biden en beweert dat hij haar tegen een muur heeft gedrukt en met een vinger bij haar is binnengedrongen. Alleen zo kan de cultuur waarin dergelijk wangedrag wordt getolereerd en toegedekt veranderen – toch een nobel feministisch streven, lijkt me.

Progressieven zouden geleerd moeten hebben van de jaren negentig, toen ze de mogelijke misdragingen van Bill Clinton wegwuifden. Daarbij ging het niet alleen om de ongelijke machtsverhouding met Monica Lewinsky, maar ook om ernstige beschuldigingen van aanranding en verkrachting. Dit soort verhalen raakte gepolitiseerd, de slachtoffers zouden links of rechts zijn en op basis daarvan al dan niet geloofwaardig. Zo kon twintig jaar later Donald Trump president worden, een man die door tientallen vrouwen is beschuldigd van seksueel grensoverschrijdend gedrag, een gegeven waarover zijn godvrezende electoraat gapend de schouders ophaalt.

Na #MeToo werd ook het gedrag van Bill Clinton opnieuw tegen het licht gehouden. Presentatoren, columnisten en komieken blikten met het schaamrood op de kaken terug en tikten plechtige stukjes met koppen als ‘Nu zou ik die vrouwen wel geloven’. Zo bezien is de beschuldiging aan het adres van Joe Biden de eerste echte grote test voor #MeToo, een waanzinnig, gekmakend dilemma bovendien, omdat hij de man is die Trump uit het Witte Huis zal moeten krijgen.

‘De Biden-val’, noemt de Amerikaanse journalist Rebecca Traister dit, een toestand die wordt verergerd doordat hij heeft beloofd een vrouw te kiezen als vicepresident. Biden is niet zo’n sterke kandidaat, schetst Traister, dus enerzijds is te hopen dat hij een krachtige vrouw naast zich kiest, iemand als Elizabeth Warren of Stacey Abrams. Maar zij zal keer op keer gevraagd worden naar zijn wangedrag, want dat is nu eenmaal het lot van de vrouw. En zij zal hem keer op keer moeten verdedigen, de hemel in prijzen zelfs. Zo brengt zij haar eigen geloofwaardigheid en politieke toekomst in gevaar, schrijft Traister. ‘Het is als drinken uit een gifbeker.’ 

Na de klap van 2016 was 2020 altijd een jaar om naar uit te zien, het moment waarop de wereld uit Trump-lockdown kon, een jaar van hoop op politieke verandering. Wisten wij veel dat het nog veel moeilijker zou worden. 

Meer over