ColumnThomas van der Meer

Dat soort mensen? Je bedoelt: je wilt hier geen buitenlanders

null Beeld

‘Pakken’, zegt meneer El Moussaoui (83). Hij zit op de rand van zijn bed en wijst naar een sok op de vloer. Elke ochtend gooit meneer El Moussaoui iets op de grond, zodat ik meteen voor hem door de knieën moet. Ik raap de sok op. Van zijn nachtkastje pakt hij een beker en zet die met een klap weer neer. ‘Water halen.’

Bij meneer El Moussaoui bereik ik met nederigheid het meest. Ik doe wat hij zegt en als ik hem bij alles om toestemming vraag, wil hij best meewerken. Mag ik de gordijnen opendoen? Mag ik u helpen bij het douchen? Mag ik u de medicijnen geven?

We zijn bijna klaar en dan weet ik het toch nog te verpesten. Elke ochtend krijgt hij een tabletje dat moet smelten onder zijn tong. Ik leg het in de palm van zijn uitgestoken hand en zeg: ‘Dit is die voor onder uw tong.’ Hij kijkt me fel aan, stopt het tabletje in zijn mond, neemt een slok water en slikt het zonder zijn blik af te wenden door. Ik moet hem niet vertellen wat hij moet doen.

Tijdens een vergadering over de bewoners zegt de leidinggevende over meneer El Moussaoui: ‘Misschien moeten we dat soort mensen hier niet meer opnemen.’

Het blijft een paar seconden stil en dan klinkt een hese fluittoon. Dat geluid maakt mijn collega Janny. Ze perst de lucht uit haar longen omdat ze in lachen uitbarst – Janny lacht net als Ron Brandsteder.

‘Dat soort mensen? Je bedoelt: je wilt hier geen buitenlanders.’ Ze klapt dubbel van het lachen, haar neus raakt bijna de tafel. ‘O, Henk. Dat kan écht niet!’

Alle collega’s beginnen te schudden en Henk krijgt een kleur. ‘Dat zei ik niet’, zegt hij.

‘Maar dat bedoelde je wel.’

‘Het was maar een idee.’

Janny kijkt ons aan en wijst naar Henk. ‘Dat meent-ie allemaal echt’, giert ze.

‘Hou er nou maar over op.’

Gedurende de rest van de vergadering schiet het voorval haar zo nu en dan weer te binnen. Proestend schudt ze haar hoofd. ‘Sorry hoor’, zegt ze.

’s Middags gaat de telefoon. Het is de zoon van meneer El Moussaoui. Zijn vader heeft hem opgebeld om te vertellen hoe schandelijk ik hem vanmorgen heb behandeld, maar hij kent hem langer dan vandaag. Hij biedt zijn excuses aan voor zijn vaders gedrag. ‘Ik wilde dat het anders was’, zegt hij, ‘maar met mijn vader kun je geen gewoon gesprek meer voeren.’

Meneer El Moussaoui is niet de makkelijkste, maar zeker niet de moeilijkste hier. Dit is een gesloten afdeling. Als meneer El Moussaoui voor rede vatbaar was, woonde hij hier niet.

In de pauze zit ik bij collega’s van een andere afdeling. Daar is van verschillende bewoners geld gestolen en ze weten nog niet door wie. Diefstal in zorginstellingen komt veel voor en dat zal wel iets te maken hebben met gelegenheid.

Op een ochtend sla ik het bed van mevrouw Rietkerk (91) open en vliegen de bankbiljetten in de rondte. ‘Zo!’, roep ik verrast. ‘De tandenfee is u gunstig gezind. Had u uw hele gebit onder het kussen gelegd?’

Mevrouw Rietkerk had ’s nachts haar geld geteld. ‘Maar ik bewaar het altijd heel goed hoor’, zegt ze. ‘In het bovenste laatje. De sleutel verstop ik in mijn toilettas.’

‘Dat moet u aan niemand vertellen.’

‘Ik vertel het ook aan niemand.’

‘U vertelt het nu aan mij.’

‘O, ja.’

De collega’s van de door diefstal geteisterde afdeling hadden vanmorgen een collega – een jongen uit Suriname – gevraagd zijn zakken leeg te maken aan het einde van zijn dienst. Dat wilde hij niet. ‘Dat is tegen zijn principes, zei hij’, zegt mijn collega. Ze lacht schamper. ‘Nou, dan maak je jezelf wel heel verdacht.’

‘Moesten jullie je zakken ook leegmaken?’

Nee, zij niet. Alleen hij.

Op die afdeling hebben ze geen Janny.

Thomas van der Meer is schrijver en werkt in een verpleeghuis. De namen van personen in deze column zijn gefingeerd.

Meer over