Opinieonderwijssegregatie

Dag buurtschool, het is tijd om te gaan mengen

Witte ouders blijven witte scholen kiezen. Alleen met quota zal het lukken scholen gemengder te krijgen, betoogt Marileen Kan.

Kinderen steken flyers in de brievenbus van de huizen in de buurt van hun school. Ze willen een eind maken aan de stempel ‘zwarte school’ die ze nu hebben.Beeld Io Cooman

Een klap in het gezicht, dat was het artikel in de Volkskrant (Ten eerste, 10 juni). Utrechtse hoogopgeleide witte ouders houden witte bubbels in stand door kinderen al heel jong in te schrijven voor witte scholen. Terwijl dat niet mag. Au. Ik ben dus zo’n foute ouder. Ook ik schreef, voordat hij kon lopen, mijn witte zoontje al in voor de witte school in mijn witte Utrechtse wijk. Ik, die zelf op een gemengde school zat, die met 96 nationaliteiten meedeed aan een studentenuitwisseling van de Nobelprijs voor de Vrede, die stage liep voor een diversiteitsprogramma. Ik deed dus keihard mee aan segregatie. Hoe kan dat? Welke krachten waren hier aan het werk? En wat valt eraan te doen?

Ongemakkelijke waarheid

Het begint met het erkennen van een ongemakkelijke waarheid. Dat iedereen vooroordelen heeft, ook hoogopgeleide witte mensen. Vooroordelen gebaseerd op de media, je opvoeding, je eigen ervaringen. Het is de bril waardoor je naar mensen kijkt. Waarvan je je niet bewust bent. En die je niet zomaar kunt afzetten, ook al wil je dat graag. Vrijwel niemand zal zichzelf een racist noemen, maar toch pakt de samenleving – en zeker Utrecht met de sterk gesegregeerde wijken – wel zo uit.

Terwijl mijn leven zo anders begon. Ik zat op een basisschool waar elke minderheid was vertegenwoordigd. Ik kan mij niet herinneren dat er ooit onderscheid werd gemaakt: ik was in elk geval smoorverliefd op Rachid, vond Nasan naar knoflook stinken (terecht dat ik de klas werd uitgestuurd toen ik daar iets over zei). Maar na groep 8 ging ik met de andere kinderen van hoogopgeleide ouders naar het vwo en gingen – goh toevallig – alle migrantenkinderen naar de mavo. Mijn leraar zou zich echt geen racist noemen, maar heeft hij deze kinderen echt goed inschat?

Multiculturele mislukking

Tijdens mijn studie economie in ­Amsterdam kwam ik meer minderheden tegen. Gelukkig hoefde niet iedereen met een kleurtje naar de mavo. Toch viel het me op – het waren de jaren nul, de multiculturele samenleving was mislukt verklaard – hoeveel nare opmerkingen er in mijn omgeving werden gemaakt over Turken, Marokkanen, Surinamers. Eerst ging ik in debat: ‘Je moet mensen niet beoordelen op de groep waartoe ze behoren, maar als individu.’ Maar ook ik begon te twijfelen: was Rachid toch bestemd voor de criminaliteit? Zat Nasan thuis met haar Turkse importman? Ook ik was geen racist, maar voelde me wel ongemakkelijk de eerste keer in de metro in de Bijlmer.

Ik liep stage bij een diversiteitsprogramma. Inspirerende avonden met getalenteerde en ambitieuze allochtonen. Niks mislukte multiculturele samenleving, ha. Maar hoeveel white innocence hebben de deelnemers daar meegemaakt? Later volgde ik een uitwisselingsprogramma voor de de Nobelprijs voor de Vrede in Oslo. Het idee: na zes weken zouden al die nationaliteiten als vredelievende wereldburgers huiswaarts keren. En ja, ik ervoer daar dat niemand voldeed aan mijn ­stereotypen, het waren boeiende ontmoetingen. Maar man, vermóéiend. Na een paar dagen zaten de Zuid-Europeanen, Amerikanen, Aziaten en Afrikanen apart, in de eigen groep. Teleurgesteld in mijn aanpassingsvermogen, kwam ik terug. Vele jaren later vroeg ik mij wel af waarom ik zo graag in die witte jarendertigwijk wilde wonen. En of het gezond was mijn kind naar een witte school te sturen. Toch koos ik steeds (onbewust) voor een omgeving waarin mensen op mij lijken. Totdat dat artikel mij een stomp in de maag bezorgde. Shit. Dit is dus hoe institutioneel racisme werkt.

Ik heb me inmiddels ingelezen in tal van onderzoeken, waaruit blijkt dat we allemaal bomvol vooroordelen zitten. Die soms zelfs dodelijk uitpakken voor zwarte mannen, zie ­George Floyd. En op de arbeidsmarkt wordt werkelijk iedereen onderschat, behalve de witte man.

Onlangs ben ik verhuisd naar een dorp. Weer stond ik voor een schoolkeuze: de witte school in de villawijk, de gemengde school in de arme wijk of een kleine Montessorischool. Weer koos ik niet voor de gemengde school. Au. Ik voelde me gewoon niet zo, eh, thuis tussen de hoofddoekjes en Adidas-slippers. Ik zag het niet zitten om die sociale ladder af te dalen. Verder opklimmen via de witte villa-school trouwens evenmin. Ik koos voor de Montessorischool, omdat daar ouders uit verschillende wijken en (dus) inkomensgroepen op afkomen. Van bijstandsmoeder tot miljonair. Er zitten meer kinderen met een kleurtje, uit arme en uit rijke gezinnen. Zo ervaar ik weer wat van die diversiteit uit mijn eigen jeugd.

Eigen straatje

Blijft de hamvraag: zou ik, met mijn kennis over vooroordelen, een volgende keer wél kiezen voor die school in de arme wijk? Eerlijk? Ik weet het niet. Juist omdat je dit soort levenskeuzes op je (bevooroordeelde) gevoel maakt. Daarom ben ik – ik durf het haast niet te zeggen – voor quota. Vergeet die buurtscholen. Laat scholen een afspiegeling zijn van de hele gemeente. Zo kom je voldoende ouders en kinderen tegen uit ‘jouw straatje’, maar ook genoeg ouders die anders zijn dan jij. Zo kun je die vooroordelen, die in ieders hoofd rondspoken, eens rustig bijstellen. Je hebt er acht jaar de tijd voor. Moet lukken, toch?

Marileen Kan is marketing en communicatiemanager.

Meer over