ColumnEva Hoeke

Daar was-ie dan: de dip na drie weken pandemie

Week drie en daar was-ie, de klap die je wist dat zou komen.

Alsof alle energie van het begin, die houding van kop d’r veur en we maken d’r wat van, in één klap weg was. De zelfhaat was groot toen ik staand aan het aanrecht mijn zoveelste witte kadet Nutella naar binnen stond te werken.

Sjongejonge! Had ik na eindeloos onderhandelen en schuiven met schema’s eindelijk mijn handen vrij om het werk te kunnen doen dat al een week op me lag te wachten, deed ik het niet! Daar stuurde je de kinderen dan voor naar buiten, hun vader erachteraan. En het móést nu gebeuren, niet alleen voor hen maar ook voor de eerste Waar-blijft-hetmails me zouden bereiken, want ik heb het karakter niet om die te negeren. Goed, eerst nog maar een kadetje, dan was het maar op. Dat was ook nieuw trouwens, die vreetlust, dat hamsteren van voornamelijk koolhydraatrijk spul, alsof je je onbewust schrap zette voor krapper tijden – aldus suste ik mezelf, want in feite was het natuurlijk gewoon dom belonen. De wereld was ziek, mijn inkomsten gehalveerd, ik zat gemiddeld zes uur per dag te puzzelen met mijn kinderen dus had ik ’s avonds recht op een trog risotto en een fles wijn, hatsekidee.

Even later kroop ik weer achter de computer.

Kom op! Even beuken nu!

Maar er kwam niks.

Geen woord, geen gedachte, alleen een eerste zin, ik heb ’m maar laten staan.

Wat wás dit?

De dip na drie weken pandemie, dat was dit. Drie weken lang had ik de moed erin gehouden, de tering naar de nering gezet, structuren behouden en nieuwe gevonden, ik had thuisonderwijs gegeven aan die van 4 en ik had de knuffel gerepareerd van die van 2, als een heuse poppendokter, van de bewondering op hun kindersmoeltjes zat je vanzelf rechtop. Ik had de kledingkasten uitgeruimd en de keukenkastjes uitgesopt, dat laatste samen met de Man notabene, het had nog wel iets gezelligs gehad ook, radiootje aan, die golf van voldoening na voltooiing van een fysieke klus. Bovendien, ik wérkte altijd al thuis en ik wóónde al in een dorp en ik hád al twee jonge kinderen, dus eigenlijk záten we al twee jaar in lockdown.

En toch.

Nu voelde het anders. Alsof de rek eruit was, klaar, over, oppelepop. Er was niets om naar uit te zien, geen plan te smeden en geen grap meer te maken, wat overbleef waren zorgen om geld, zorgen om oma, zorgen om de hele kladderadatsch. Uit ervaring wist ik dat je in zo’n stemming maar beter de handdoek in de ring kon gooien, accepteren, morgen weer proberen, maar zelfs dat kon nu niet.

Oké, maar doe dan in ieder geval wat administratieve dingen, sprak mijn beter ik op verzoenende toon terwijl ik opstond om thee te gaan zetten. Of ga stofzuigen, ben je in ieder geval ongelukkig in een schoon huis.

Maar weer een kwartier later had ik zes likes uitgedeeld aan de kinderfoto-challenge op Facebook, en ook alleen maar omdat ik te beroerd was om zelf een kinderfoto op te zoeken.

En zo bleef het, de hele verdere, lange dag.

Ik tikte geen tekst, ik stuurde geen kaarten, ik ging niet stofzuigen en keek zelfs geen televisie, niks deed ik, helemaal niks, en die toestand duurde tot de kinderen terugkwamen en hun vader erachteraan en tot ver daarna, tot het eindelijk tien uur was en ik van mezelf naar bed mocht. De volgende dag hoorde ik van de Man dat ik daarmee de première van het Coronalied had gemist, en toen ging het eigenlijk wel weer.

Meer over