ColumnPeter Middendorp

Daar lag ze, mijn dochter (9), roerloos in haar slaapkamer, alsof ze met haar hoofd op de vloer was gevallen

null Beeld .
Beeld .

Weken kunnen voorbijgaan zonder een enkele gedachte, of met telkens dezelfde. Maar toen ik ’s ochtends vroeg de trap opliep en mijn dochter (9) roerloos in haar slaapkamer zag liggen, een been op het bed, eentje ernaast, de armen wijd, het hoofd opzij, alsof ze achterover van het bed keihard met haar hoofd op de vloer was gevallen, bleken er plotseling tientallen gedachten, beelden en overwegingen in een seconde te passen.

Ik wist meteen wat er te weten viel. Waar m’n telefoon lag – beneden, aan de lader. Waar mijn vriendin was – op de markt, mooi voor de drukte aan; om hulp hoefde ik niet te roepen. Ik zag alles voor me, de rest van het uur, de dag, de week, de maand. 112, ziekenhuis, alles anders, heel erg bang zijn.

Ze was al eens eerder flauwgevallen, zonder zich te bezeren. Ik schrijf een roman over een man die rondzeult met iemand met hersenschade. Een vriend uit Emmen is anderhalf jaar geleden tijdens zijn werk op zijn achterhoofd gevallen. Vorige week viel mijn neefje ’s avonds laat zo hard flauw in de gang dat de buren wakker schrokken. Ik dacht het niet zonder zelfmedelijden: iedereen valt maar op zijn hoofd, behalve ik.

Soms, de laatste maanden, in sombere buien, als ik onder een afdakje sta of er onderdoor loop, betrap ik mezelf op de gedachte: als dat afdakje nou eens afbreekt en op mijn harses valt, ben ik overal een tijdje helemaal vanaf. Werk. Verplichtingen. Dingen die anderen me opleggen, of ik mezelf. Misschien moet ik vaker onder afdakjes gaan staan, het lot een handje helpen, je kunt niet alles aan het toeval overlaten.

Het is een diep en ongerijmd verlangen, niet rationeel – ik doe juist altijd erg voorzichtig. Misschien zoek ik een reden voor mijn gevoelens, een oorzaak bij het gevolg. Nu ziet niemand hoe ik me voel, maar met een afdakje op mijn hoofd wel.

Maar dan moet er natuurlijk wel iets met mij gebeuren, niet met mijn dochter. Ja, verdomme: één seconde en ik dwaalde alweer af, had alles alweer op mezelf betrokken. Hoewel: als er iets met mijn dochter gebeurt, kun je mij ook wel afschrijven. Iedereen die dan nog iets van me wil, ikzelf incluis, krijgt een dikke vette nul op zijn rekest.

De seconde was voorbij, ik riep keihard haar naam. ‘Ja’, zei ze helder, en ze draaide zich om en ging rechtop zitten. ‘Wat is er?’ Ik schreeuwde: Wat doe je!?! Wat is er gebeurd!?! ‘Niks’, zei ze. ‘Ik lig gewoon even lekker.’ Ze keek me aan. ‘Hoezo?’

Godverdomme, zei ik, godverdomme. Handen op de knieën, bonkend hart. Even wachtte ik tot ik misschien een hartaanval zou krijgen, een klein tikje; je wil niet overdrijven. Maar er gebeurde niks, alweer niet. Ik viel niet eens van de trap, achterover of op mijn buik. Ook niet een beetje. Nog geen treetje kon ervanaf.

Meer over