ColumnThomas van Luyn

Charlie Parker vergat een simpele vuistregel van jazz: weinig noten mooi, veel noten lelijk

Thomas van Luyn. Beeld Valentina Vos
Thomas van Luyn.Beeld Valentina Vos

Je hebt twee soorten jazz: zenuwenjazz en snoezeljazz. Die laatstgenoemde, dat is wat op regenachtige dagen in koffiezaken aanstaat. Ella Fitzgerald, Chet Baker, Stan Getz. Prima muziek voor de ouwe dag. Buiten regent het, ik lees een oude krant. Muziek om je hond bij te laten inslapen. Ik ben benieuwd hoe een frisse saxofoon daarbij zou klinken, maar ze verkochten indertijd alleen zwoele, blijkbaar. De zenuwenjazz kwam later. Mensen met brillen vonden het geweldig, de rest van de wereld haakte af. Het heersende sentiment over jazz is sindsdien: brrr.

Dat is jammer, want er valt veel moois te ontdekken. Wie gewoon rechtdoor fietst waar Charlie Parker linksaf sloeg, komt allemaal lekkere loungemuziek tegen, plus Sinatra, soul, r&b, en zo maar door. Om nog maar te zwijgen van al die leuke Engelse knakkers die momenteel in clubjes links en rechts dansbare acid-jazz staan te jammen. Dansen op jazz? Jazeker, zo was het ooit bedoeld.

Parker en zijn volgelingen echter, vergaten een simpele vuistregel: weinig noten mooi, veel noten lelijk. Met zenuwen-riedels kom je nog weg als de band zich gedraagt, maar ergens onderweg hebben drummers en bassisten het in hun kop gekregen dat zij ook willen meespelen. Dat kan natuurlijk niet. Iemand moet voor het doel blijven staan, anders rolt de bal erin. Bas en drum moeten gewoon een beetje op de achtergrond het hele nummer lang hetzelfde patroontje spelen, zodat de echte muzikanten muziek kunnen maken. In de bebop echter, hebben ze gelijke rechten gekregen. En dan krijg je dus dingen als een drumsolo. Daar zit natuurlijk niemand op te wachten, op een drumsolo.

Helemaal niemand. Je hoopt dan ook dat ze, als de solo's beginnen, stoppen vóór de drum en de bas. Maar ja, dat is ook weer zo zielig voor die jongens. Ze staan al zo op de achtergrond, dus, nou, vooruit. Eerst de bas: de muziek valt stil, en de bas zegt: ploem ploem ploem plok dzm dzm. Tja. Wat zullen we zeggen. Weet je wat, ik haal wel even bier. Niemand weet meer of we nog in het couplet zitten of al in het refrein. Ook mensen als ik, die de nootjes en de akkoordjes wel kennen, denken: euh...

Als de bassist mag soleren, dan mag de drummer dat ook. Soort van regel in de jazz. Was je de draad van het nummer al kwijt (en dat was je), heb je nu echt reden tot wanhoop. Een barrage aan schijnbaar willekeurige roffels, veegjes en petsjes nemen de plaats in van wat een tijdje geleden nog als een lekker nummer klonk. De goede man gaat er hélemaal in op. Hélemaal. Ogen gesloten, hoofd voorover, zweet druipt op de vellen van zijn trommels. Zijn concentratie op zichzelf is indrukwekkend. Iemand zou even een blikje bier naar z'n hoofd moeten gooien.

Aan het manische geknik van de bandleden zie je dat ze nog weten waar de tel zit. Zij wel, want ze hebben conservatorium gedaan. Wanneer de slagwerker eindelijk klaar is en het hele combo als door een wonder tegelijk inzet, is het publiek zo opgelucht dat er een klaterend applaus opstijgt. Daar moeten we mee stoppen. Het ware beter als we een welluidend 'hèhè, eindelijk!' zouden laten horen. Kom op, ze weten het zelf ook.

t.vanluyn@volkskrant.nl

Meer over