ColumnHarriët Duurvoort

Carnisse, ik heb mijn hart verloren aan deze plek

Daar zaten we in het kunstenaarscafeetje in ons straatje. De buurtopkomst was groot, maar we poogden ons, beter dan de bruilofstgasten van Grapperhaus, aan de afstands­regels te houden. Want wij zijn nette mensen, wij bewoners van de slechtste buurt van Rotterdam.

Toen ik vorige week zaterdag op mijn zonnige balkon de krant opsloeg, verslikte ik mij even in mijn koffie. Want daar stond burgemeester Aboutaleb, zowat voor mijn deur, onder de kop: ‘De slechtste buurt van Rotterdam’. Het is nooit leuk om een stereotype te zijn. Niet op grond van je afkomst of kleur, en ook niet op grond van je buurt. Toen ik ooit een stukje schreef waarin ik opperde eens wat positiever over Rotterdam-Zuid te zijn, werd ik bedolven onder fanmail van buurtbewoners.

Nu klaagde ik tegen mijn buurman, uitbater van het café. Maar die zei: het is toch goed dat onze burgemeester zich sterk wil maken voor de buurt? En dat is ook waar. Feit is dat het sinds de ­reportage opvallend schoon is bij de vuilcontainers. Heerlijk.

Ik heb vaak genoeg ook over de problemen in deze volksbuurt geschreven. Over de vuilnisbergen, en de opengereten zakken naast de containers, hoewel dat laatste een stadsbreed probleem is. Over de huisjesmelkers die al decennia geen strobreed in de weg wordt gelegd om verpauperd onroerend goed schaamteloos tot ‘matraspanden’ om te toveren, waarin Oost-Europese arbeidsmigranten voor een ­belachelijke prijs een slaapplek ­huren. En over de ­criminaliteit.

Maar toch is er geen woord van ­gelogen dat ik, net als andere buurtbewoners, mijn hart heb verloren aan deze plek. Ondanks dat de mensen die hier wonen zeggen dat ze zich onveilig voelen; al wordt dat niet eens altijd onderbouwd door objectieve misdaadcijfers. Ik mor dat mij nooit wat wordt gevraagd. En ik moest denken aan een oude buurvrouw die nu in het doodsaaie Papendrecht woont en heimwee heeft naar Carnisse.

De Marokkaanse buurmannen Mo en Ismael hebben met cafébaas Gilbert het initiatief genomen tot deze middag, waarbij ook de stadsmarinier aanwezig is. Want het moet eindelijk eens over en uit zijn, met die teringzooi. De twee wonen bij de Bulgaarse winkel op de volgende straathoek. Zelfs een paar Bulgaarse Roma van de hangplek voor de Bulgaarse winkel zijn meegekomen. Moedig, want zij staan in ons straatje bovenaan op de ergernisladder. Er is in deze veelkleurige wijk geen enkele bevolkingsgroep die níét op hen afgeeft. De Arubaanse Orlando, die alles probeert schoon te houden en zijn geveltuintje voorbeeldig heeft opgeknapt (en me ­terecht aanspreekt op mijn verpieterde hortensia’s) foetert over lege Big-Macdoosjes en sigaretten die achteloos naar buiten worden geworpen, uit raampjes van verdacht dure auto’s. Auto’s die altijd dubbel geparkeerd staan, of op de stoep, waar geregeld Bulgaarse deuntjes uit de boxen blazen. De Bulgaren staan er bedremmeld bij. Ze blijken verrassend goed Nederlands te spreken en beloven nederig beterschap. Dat ze iedereen zullen aanspreken voortaan netter te ‘hangen’, de troep op te ruimen en niet te veel lawaai te maken. Orlando is sceptisch, ik vind het ontroerend.

Het mozaïek van deze buurt is samengestroomd. We zijn eindeloos divers. Komen uit alle uithoeken van de wereld en alle migratiegolven van de afgelopen vijftig jaar zijn vertegenwoordigd. Huurders en huiseigenaren. Van Leefbaar tot GroenLinks, van moslim tot evangelisch, katholiek, atheïst, boeddhist. Van kunstenaar en ambtenaar tot paprikaplukker, van bejaarde tot hangjongere. Van analfabeet tot de buuf die hoogleraar feministische filosofie is (en beschaamd fluistert geschokt te zijn van haar eigen geïnternaliseerde seksisme, omdat ze dacht dat een stadsmarinier een breedgeschouderde man was, in plaats van een vrouwelijke topambtenaar).

Wij mogen haar altijd bellen of mailen, zegt de stadsmarinier. En als iemand opmerkt dat je toch met twee muisklikken in het kadaster kunt checken of een pand verdacht is of niet, legt ze uit dat een hele juridische afdeling van de gemeente bezig is met huisjesmelken; de urgentie wordt gevoeld.

We zijn totaal verschillend. Problemen en tegenstellingen zat, en toch vechten mensen elkaar in de slechtste buurt van Rotterdam minder de tent uit dan op een gemiddelde dag op sociale media. We zijn opvallend eensgezind, willen gewoon dat het beter wordt. Nu Aboutaleb zich ook sterk maakt voor verbetering, ben ik optimistisch over onze toekomst. 

Harriet Duurvoort is publicist

Meer over