ColumnSylvia Witteman

Briefjes van 50 euro zie je nooit aan het vindhek. Wel veel wanten, zij het nooit twee dezelfde

null Beeld

Ik had net gehoord dat er een oude vlam van me was gestorven, een héél oude vlam, zowat even oud als de Olympische Spelen, maar toch. Nadenkend gestemd liep ik het park in, waar de lente behoorlijk tekeerging, maar ja, zoals Simone de Beauvoir al zei: ‘Un seul printemps dans l’année, et dans la vie une seule jeunesse.’

Alsof dat allemaal nog niet erg genoeg was, passeerde ik twee fietsen die pontificaal bij de drinkfontein geparkeerd stonden. Ze waren overdadig met plastic bloemen opgetuigd, waarschijnlijk door een vrouw met een asymmetrisch kapsel, een dito lange, paarse robe-manteau en een moeilijke bril; te vrezen viel dat er sprake was van Kunst. Een koppeltje felgroene halsbandparkieten, (‘invasieve exoten’, ach gos) keek vanuit een kaal boompje belangstellend op de fietsen neer. Als ze nou maar geen nestje gaan bouwen in die liederlijke plasticwolk.

Geërgerd liep ik door. Daar was het ‘vindhek’ al, bijna even felgroen als de parkietjes, maar wat mij betreft een stuk invasiever: ‘WHEN ART MEETS THE LOST AND FOUND’ staat erop, waarschijnlijk om twijfelaars terdege in te wrijven dat ook hier sprake is van Kunst.

Het is de bedoeling dat men eventuele in het park gevonden voorwerpen aan dat hek bevestigt met daartoe aangebrachte knijpertjes, zodat de eigenaar ze kan terugvinden. Briefjes van 50 euro hangen er nooit aan, en ook geen sieraden of handtassen. Een enkele fietssleutel, dat wel, en verder vooral wanten, veel wanten, maar nooit twee dezelfde.

Naast het hek stonden twee jonge vrouwen te praten, mooie, hyperslanke meisjes (van die jubelton-trutjes in de categorie ‘bezig met het afronden van de master ‘future planet studies’, met bijvak filosofie). De een, met zo’n would-be-achteloze blonde knot op heur harses hield de handen, kleumerig gevouwen, alsof het nog steeds min 10 was, om zo’n koffiebeker van uitputtend gerecycled karton en sprak: ‘Alles ter rechterzijde van GroenLinks is natuurlijk sowieso not done.’ De ander knikte kwijnend. Aan haar voeten zat een Franse buldog, zo’n gedrongen hond met alerte, vleermuizige oren en zo’n platgeslagen snuit die lijkt te lachen, maar in feite zijn hele leven lang naar adem hapt.

Inmiddels diep chagrijnig liep ik het park uit. Daar stonden twee politieagenten zorgelijk met de koppen bij elkaar: een lichtblond meisje en een wat donkerder jongen. ‘Weet je het wel zeker?’, sprak de jongen ongerust. Het meisje bukte zich en stak aarzelend haar hand uit naar iets kleins en grijs onder een boom. Een duif. Het meisje aaide de duif voorzichtig. Zijn veertjes bewogen in de wind, maar de duif zelf lag doodstil.

‘Ja, heel zeker’, zei het meisje bedroefd.

Ook dát nog.

Meer over