ColumnSheila Sitalsing

‘Bovenst’ op de stapel is helemaal niet ‘bovenst’ op de stapel

null Beeld

Vijf weken geleden drukte het AD een vraaggesprek af met Adriana van Dooijeweert, voorzitter van het College voor de Rechten van de Mens. Het was een interessant gesprek over mondkapjes, avondklokken en de vraag hoe ver de staat kan gaan bij het inperken van grondrechten.

Ver, zo blijkt na een jaar van boetes voor met het bezoek een donut eten in de buitenlucht, een verbod voor kinderen om naar school te gaan, gedwongen binnenblijven na 9 uur ’s avonds en verplichte gezichtsbedekking.

Van Dooijeweert legde in het AD uit wat voor haar de afwegingen zijn: er moet een ernstige noodzaak zijn, de juridische onderbouwing moet deugen en maatregelen mogen ‘niet langer duren dan strikt nodig is’. Haar mensenrechtencollege zou in actie komen, zei ze, ‘als er ooit een wet zou komen die iets regelt over het aantal mensen dat je in huis mag hebben en waarbij de politie dit zomaar achter de voordeur mag controleren’. Tot dusver vond ze alles nog te billijken, zei ze. En: ‘Zware beperkingen van de mensenrechten moeten altijd een eindtijd hebben waarop ze stoppen of opnieuw worden bekeken. De avondklok duurt dan ook tot 9 februari.’

Vijf weken geleden. Wat een onschuldige tijd was dat.

Daarna zou de avondklok onbekommerd worden dóórverlengd. We zouden Ferd Grapperhaus zien schutteren na een oorwassing van een rechter over broddelwerk rond de avondklok. De avondklok zou andermaal worden doorverlengd.

Vrijdagmiddag noteerden diverse media dat het kabinet ‘koerst’ op een volgende verlenging van de avondklok. Zondag valt het besluit. Grapperhaus liet zich vrijdagmiddag alvast de volgende citaten ontlokken: ‘Er is veel draagvlak voor de avondklok. Mensen groeien mee met de maatregel.’ En: ‘Een avondklok drukt minder zwaar dan bepaalde niet-essentiële winkels die dicht zijn.’

Zo snel kan dat dus gaan. Eerst lever je als burger het grondwettelijke recht in om je vrij te bewegen in de buitenruimte en geef je de nacht aan de staat – Van Dooijeweert repte in dit verband van een ‘zware beperking van de mensenrechten’ – in het vertrouwen dat je dit doet voor een afgebakende periode. De premier heeft je om dit vertrouwen verzocht; hij heeft erbij staan janken dat hij het opsluiten ‘verschrikkelijk’ vindt, en dat hij ‘als eerste’ van de avondklok af wil, het is ‘de maatregel die bovenaan staat, bovenst aan, in goed Nederlands, om te schrappen’, zo had hij op 22 januari nog gezworen.

Enkele ogenblikken later is dit grondrecht wisselgeld geworden, een ding waar wij volgens de mannen in wier handen de bescherming van de rechtsstaat ligt vanzelf aan wennen als je ons maar wat te spelen geeft, een dingetje dat eenvoudig ingewisseld kan worden voor een extra lang rondje door de Hema. Wie achterdochtig is aangelegd, zou haast kunnen denken dat zij menen dat wij idioten zijn.

Grondrechtbeperkingen zijn te billijken, uiteraard – zie ook wat Van Dooijeweert zegt over noodzaak en proportionaliteit. Wat schuurt is de slordigheid waarmee de boven ons gestelden lijken om te springen met het vertrouwen dat hiervoor nodig is.

Het zit hem in van alles. In het gejok over‘bovenst’ op de stapel, dat helemaal niet ‘bovenst’ is. In het gesjacher met de ‘routekaart’, dat ding vol rotondes zonder afslagen, en in de huichelarij dat die kaart bedoeld zou zijn als spoorboekje voor de mensen, terwijl het maar één doel dient: rare maatregelen uit het verleden achteraf logisch doen lijken. In de achteloosheid waarmee ons wordt wijs gemaakt dat het ongeveer hetzelfde is: het recht om ’s avonds en ’s nachts naar buiten te mogen, of het recht om naar de kapper te gaan.

Nog tien nachtjes slapen en dan gaan de stembussen open.

Meer over