Opinie

Boek over verraad Anne Frank is manipulatieve thriller vol vermoedens, maar zonder harde bewijzen

Het verraad van Anne Frank springt van cliffhanger naar cliffhanger. Maar vijf jaar intensief forensisch onderzoek van een groot internationaal rechercheteam verzandt in gespeculeer en onbewezen claims van een paar speurneuzen, stelt schrijver Jessica Durlacher.

Jessica Durlacher
AMSTERDAM -  Een graffitikunstwerk van Anne Frank op de NDSM-werf in Amsterdam.  Beeld ANP / Robin Utrecht
AMSTERDAM - Een graffitikunstwerk van Anne Frank op de NDSM-werf in Amsterdam.Beeld ANP / Robin Utrecht

De spectaculaire en pijnlijke uitkomst van het onderzoek naar de verrader van Anne Frank, verricht door de speurneuzen van een internationaal ‘coldcaseteam’, is, vrees ik, inmiddels voor altijd in het communale geheugen gestanst: het was geen NSB’er, geen zwarthandelaar, geen overloper die het fatale telefoontje met de Sicherheitsdienst (SD) pleegde dat tot de arrestatie van de onderduikers leidde, neen, een notaris, een Joodse notaris was de verrader, een Jood was verantwoordelijk voor de dood van onze nationale heilige: Anne Frank. Arnold van den Bergh, medebestuurder van de Joodse Raad, zou onderduikadressen, waaronder dat van de Franks, aan de SD hebben doorgegeven om zijn eigen gezin te redden. Vijf jaar forensisch onderzoek, een kolossaal budget (en vele miljoenen in het verschiet) zouden het bewijs hebben geleverd.

Het staat allemaal in het boek dat vorige week over het onderzoek verscheen, Het verraad van Anne Frank, door Rosemary Sullivan. Eerst worden eerdere verdachten terzijde geschoven. De magazijnmedewerker van het Achterhuis, Willem van Maaren, de schoonmaakster Lena Hartog, de NSB’er Tonny Ahlers, met zijn vermeende claim op Otto Frank, de voor meervoudig verraad veroordeelde Ans van Dijk, de foute zus van een van de helpers, Nelly Voskuijl… met de spectaculaire digitale onderzoekstechnieken die het coldcaseteam tot zijn beschikking had, wordt hun betrokkenheid secuur afgefakkeld, voordat ze hun eigen theorie gaan ‘verkennen’.

De tekst, van schrijfster Rosemary Sullivan, die zelf niet bij het onderzoek betrokken was, leest als het gesproken commentaar van een sensationele Netflix-documentaire (die er ongetwijfeld aankomt), effectief springend van cliffhanger naar cliffhanger, waarbij we meebewegen met de reizen, gesprekken, vele vondsten, vragen en reacties van het team, als in een jongensboek gezellig aangeduid met voornamen: ‘Thijs’ (Bayens, filmmaker, initiatiefnemer en munter van de zaak als een coldcase), ‘Vince’ (Pancoke, de veelbesproken oud-FBI-agent), ‘Pieter’ (van Twisk, hoofd onderzoek), et cetera.

We komen te weten dat ‘Thijs’ een ‘klik’ heeft met een rabbijn, Menachem Sebbag, en hoe gelukkig hij is met diens premature zegen over de uitkomst van het onderzoek. Het team werkt grondig, sommige vondsten zijn fascinerend, maar we worden ontegenzeggelijk klaargestoomd voor het laatste deel waarin het bewijsstuk dat het team het meest vitaal acht, wordt geïntroduceerd: het anonieme briefje dat Otto Frank direct na de oorlog in zijn brievenbus vindt.

David Barnouw van het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies Niod bestudeerde het al in 2003 en verwierp het na onderzoek als bewijsstuk. Op het briefje staat dat notaris Van den Bergh van de Joodse Raad de schuilplaats heeft doorgegeven aan de SD en dat hij een lijst bezat met onderduikadressen. Otto bergt het op, pas vele jaren later gaat hij ermee naar de politie. Hij typt het over.

Het boek beschrijft hoe Otto, en wanneer, hij navraag deed naar het waarheidsgehalte, maar ook hoe hij uiteindelijk zijn bevindingen (of vermoedens) voor de wereld geheim probeerde te houden en … verder onderzoek dwarsboomde. Otto’s terughoudende gedrag noemt het team het ‘sleutelmysterie’ en vormt een scharnierpunt in de bewijsvoering die de onderzoekers zich permitteren om te bewijzen wat zij als de enige reden daarvan beschouwen: Otto kwam erachter dat het klopte en wilde geen Jood als schuldige aanwijzen. Waarmee het team (sic) diezelfde Jood tot schuldige maakt.

Pijnlijk is dat de onderzoekers fascinerende informatie uit de kast halen om beweringen over andere verdachten tot op het bot te onderzoeken en bij hun eigen theorie genoegen lijken te nemen met claims die ze niet helemaal waterdicht weten te krijgen. Een ervan is dat de Joodse Raad lijsten bijhield met onderduikadressen, een bewering die door historici thans hevig wordt betwist.

Ze komen met informanten in Westerbork die dingen doorgeven, een groenteman, en de getuigenis van een gevangengenomen Duitser die over adressen iets had ‘opgevangen’. Ook komen ze met een medewerker van de Joodse Raad die een eigen cartotheek bijhield met adressen waaraan Van den Bergh, zelf hoog in de Joodse Raad, ‘dus’ makkelijk had kunnen komen om daarmee een betaalmiddel voor zijn eigen veiligheid te hebben.

Aangezien die cartotheek in maart ’44 in beslag werd genomen, is de veronderstelling dat Van den Bergh daarmee in augustus ’44 nog eens hoge ogen gooide bij de SD en zo zijn gezin kon redde, best vreemd. Een verklaring daarvoor kon ik niet vinden. Maar de grote vraag is vooral: áls Van den Bergh iets doorgaf als pasmunt voor de redding van zijn gezin, waaróm dan? Wat was het motief?

Elders staat vermeld dat de kinderen van Van den Bergh ondergedoken zaten. Het team komt er niet achter waar Van den Bergh en echtgenote verbleven na de arrestatie van hun beschermer, de hoge Duitser Alois Miedl. Ze gaan ervan uit dat hij voor zijn adressenlijst met vrijheid is betaald en met zijn vrouw onder de radar leefde. Jammer voor die theorie: deze week kwamen er aanwijzingen naar buiten dat Van den Bergh en zijn vrouw toen ondergedoken zaten in Laren. Tientallen of misschien wel honderden Joodse families verraden om niet?

De opbouw van dit boek met zijn gevoelige materie voelt vooral als manipulatief. Op pagina 308 staat de kern van de redenering waarop het team haar gruwelijke en brandmerkende bewering grondvest, namelijk dat het bijna zeker was dat de Joodse Raad lijsten met adressen van ondergedoken Joden had. Gezien Van den Berghs prominente positie zou hij die ook hebben kunnen bezitten, en het adres van de Franks zou daarop kunnen staan. Het motief was duidelijk: ‘zijn gezin en zichzelf te vrijwaren van arrestatie’. In de laatste pagina’s van het boek transformeert al die aanvoegende wijs tot harde beweringen.

‘Arnold van den Bergh was iemand die in een duivels dilemma werd gemanoeuvreerd’, klinkt het in de conclusie opeens stellig. Welk dilemma? Hier hebben we het kennelijk niet meer over een theorie. Waarop volgt, fideel, maar even dodelijk als beschuldiging:

‘Arnold van den Bergh is niet ultiem verantwoordelijk voor de dood van de bewoners van de Prinsengracht.’ Want dat, schrijven auteur en de onderzoekers vroom, zijn uiteindelijk de nazistische bezetters.

Ja, duhhh. Maar dit boek beoogt wel de verrader van Anne Frank aan te wijzen. De waarheid te vertellen. Als ik het cynisch stel: net alsof de giftige en pijnlijke clou van dit relaas de moeite en het geïnvesteerde en te verdienen geld rechtvaardigen moest.

Rosemary Sullivan
Het verraad van Anne Frank
Ambo Anthos, 399 pp

Jessica Durlacher is schrijver en publiceerde veel over de Holocaust. Samen met haar man Leon de Winter schreef zij onder meer een door het Anne Frank Fonds geautoriseerd toneelstuk gebaseerd op het dagboek van Anne Frank.

Meer over