columnstephan sanders

Blij dat ik de zwarte preek niet kreeg, want het zaadje van achterdocht was dan in mijn hart geplant

Beeld .

Het is een feestdag als ik dit schrijf, 1 juli, Keti Koti, verbroken ketenen, nationale herdenking van het Nederlands slavernijverleden. Maar als u dit leest, is het feest alweer voorbij.

Ik ga zometeen naar een etentje bij vrienden, ter ere van die Afschaffing (1863), want veel van hen groeiden op in Suriname, op Curaçao of Bonaire, en dan wil je iets hebben gevierd, ook als het dit jaar niet in het openbaar lukt.

En de herdenking van gisteren is sowieso niet volkomen ongemerkt voorbijgegaan, dankzij kranten en nieuws en de Black Lives Matter-protesten. Zelfs als uw familiegeschiedenis niet direct is geraakt door de slavernijslavernijperiode hebt u ervan gehoord. Dat is winst. Activisten vergeten nog wel eens om de winstrekening op te maken.

Ik heb het van huis uit niet meegekregen, dat gedenken van die gebroken ketenen; van huis uit ken ik ook al niet de Preek op jonge leeftijd, die veel Afro-Amerikanen glashelder voor de geest staat. Vader of moeder waarschuwt voor het Wettig Gezag, dat in het Noord-Amerikaanse geval vaak ‘white’ was, en tot op de dag van vandaag een zeer nadelige uitzondering maakt voor haar zwarte en gekleurde medeburgers.

Het gebeurt ook in Nederland, als ik de kranten mag geloven: zwarte Nederlanders die hun kinderen waarschuwen voor de politie, voor al te veel commotie in het openbaar, want die commotie heeft de neiging zich te hechten aan de zwarte of gekleurde huid.

Zouden er alleen zwarte korpsleden bestaan in ons land, u zou er buitenshuis niets van merken.

Mijn ouders waren blank en zagen het bevoegd gezag uiteindelijk toch als een verlengstuk van hun eigen, ouderlijk gezag. Preek gemist.

Dit hebt u ook gemist, de voorstelling The Just and the Blind, in het Holland Festival van afgelopen juni, maar, schrale troost, die heeft iedereen gemist. In het programmaboekje staat dat ‘Spoken word artiest Marc Bamuthi zijn zoon Joseph toespreekt’, want ‘vanaf zijn zeventiende wordt een zwarte jongen in Amerika niet langer gezien, maar ­etnisch geprofileerd.’

Een etiquette, niet voor sociaal ­betamelijk gedrag, maar puur voor overleving.

En komt dat in Nederland niet voor, etnische profilering? Jazeker, maar het grote verschil zijn de wapens, die zo ruimschoots onder de Amerikaanse burgerij verspreid zijn, dat ieder misverstand of vergissing een dodelijke afloop kan krijgen.

Ik heb later van Afro-Amerikaanse vrienden wel zo’n ‘zwarte preek’ gekregen, ‘nooit zomaar naar een politieauto lopen, zeker niet om de weg te vragen.’

Het wil er bij mij niet in, en het hoeft er bij mij ook niet in, want in Nederland.

Ik kende geen ‘zwarte’ familieleden naast mijn eveneens geadopteerde zusje.

En in zekere zin ben ik blij dat ik die preek nooit heb gekregen, want het zaadje van de achterdocht was definitief in mijn hart geplant. Liever onaangenaam verrast dan voortdurend op je hoede.

Het meest ongrijpbare, maar diep doordringende residu van racisme is de eeuwige argwaan, die soms geen argwaan is, maar een reële inschatting van gevaar.

Ik zal niet snel denken, met mijn licht gekleurde huid, dat ik in een winkel niet wordt geholpen vanwege mijn huid. Toch overkwam het me in Saint Louis, in de VS, toen ik met m’n toenmalige Afro-Amerikaanse minnaar in een groot warenhuis feilloos niet bediend werd. Iedereen ging voor. En toen al die klanten waren geweest, nam de verkoopster koffiepauze.

Ik schrijf het nu, maar ik geloof het nog steeds maar half. ‘Het kan niet, D. Moet iets anders zijn geweest.’

Maar D. was van daar, en D. schudde zijn hoofd.

Was ik graag zo streetwise geweest? Nee, ik zou bij elke fietser die me snijdt, bij elke mevrouw die voordringt eerst naar haar huidskleur kijken en dan mijn conclusies trekken. En bewijzen kan je in zo’n geval nog niets, want er lopen niet zo gek veel Nederlanders rond die volgaarne het racisme belijden met hart en ziel en bijbehorend boek.

Er is dus onrecht of op zijn minst ongemak, dat zich niet altijd precies laat duiden, maar dat wel zo’n gekleurd of zwart leven onder hoogspanning zet.

Want juist de twijfel vreet aan je.

Is het racisme in Nederland alledaags?

Misschien ben ik te lichtgekleurd; En ‘alledaags’, als in elke dag – dat zou ik simpelweg niet overleven.

Stephan Sanders is journalist.

Meer over